Naar aanleiding van Damse Dagen wilde RING-TV een interview doen. Je ziet me wandelen in de natuur rond Weerde, die een heel klein beetje aan Damme doet denken. 

 

Toni Coppers woont in Deurne bij Antwerpen, op een boogscheut van waar ik ooit zelf woonde. Hij deelt zijn woonst met zijn vriendin, de kat Mr. Jones, Marley en Sweetie, een koppel konijnen in de tuin. Daar moeten we trouwens door om in Toni’s heiligdom te geraken, de schrijfkamer, meteen de plaats delict waar zes thrillers rond Liese Meerhout werden gepleegd. Wanneer ik een opmerking maak over de wajangs die ik op een kast zie staan, zit Toni meteen op zijn praatstoel.

Na Toni Coppers kregen we opnieuw een voormalige radioman aan de praat. Iemand die als producer decennia lang het aanschijn van quizzend Vlaanderen vorm gaf, zichzelf daarmee een naam maakte. We stellen de vraag in het interview, maar wat bezielt iemand zijn reputatie te grabbel te gooien en een thrillerreeks te starten? Hoogmoed? Pronken met belezenheid? Bezigheidstherapie voor een moeilijke oude dag? Die gedachte kan ik meteen loslaten wanneer ik voor de man in kwestie zit en in zijn slimme oogjes kijk. Zonder er uit te zien als een gepatenteerde grappenmachine, voel je meteen hoe Paul alle binnenkanten van humor heeft beleefd, alle problemen met de voornaam kent. Mijn vragen kunnen dus maar beter à point zijn.

Nooit eerder zat ik met een interview zo kort op de bal. Rudy Soetewey heeft nog maar net een plaatsje gevonden voor zijn nieuwste trofee, de Diamanten Kogel 2013, of wij staan al voor de deur. Eigenlijk behoort die deur toe aan Café Bahnhove, het voormalige stationsgebouw van Hove, stopplaats tussen Antwerpen en Mechelen. Behalve het stamcafé van Rudy is dit ook een prominente locatie uit zijn boek Getuigen. Het café biedt (dit is geen betaalde reclame) enkele tientallen soorten bieren aan en is een praatbarak van jewelste. Veel meer moet je van Soetewey niet verlangen om los te barsten. In een gesprek van zes (!) uur hebben we de wereld op talloze manieren verbeterd en op vele slakken zout gelegd. Tussendoor spraken we ook over boeken, niet noodzakelijk die van Soetewey. Wat volgt is slechts een summiere weergave van dit rijk overgoten namiddagje in Café Bahnhove.

In het gesprek met Jo Claes vraag ik of zijn statuut als schrijver van non-fictie doorwerkt bij zijn thrillers. Dat hij dus bekendheid van het ene naar het andere genre meeneemt. Jo vindt van niet. Hij vermoedt dat bij zijn vroeger werk het onderwerp belangrijker is dan de auteur, en dat eigenaars van die boeken niet beseffen dat hij nu thrillers schrijft. “Ik heb tenslotte een heel ordinaire naam, nietwaar”, zegt hij. “In de bibliotheek kom ik vlak achter Ernest en voor Paul Claes, toch twee mensen met een oeuvre om u tegen te zeggen”.

Dit tekent de Jo onder de Claes-en. Nuchter, beide voeten op de grond, en zoals de staande uitdrukking luidt: ook in het onderwijs. Daar ondervindt hij dagelijks dat jonge mensen geen verhalen meer kennen. Wie verhalen wil lezen in een thriller moet bij Jo Claes zijn. Dikke turven, maar tonnen genoegdoening als je klaar bent. Wie Claes nog niet heeft gelezen, reppe zich naar de dichtstbijzijnde bibliotheek. Je vindt hem bij de C. Tussen Ernest en Paul. In goed gezelschap.

Elke afspraak met een onbekende is spannend, en dat is al helemaal zo wanneer het Belinda Aebi betreft. Plaats delict: de Graslei in Gent, waar de eerste lentezon mensen als vanzelf een misdadig lichte tred suggereert. Of ze languit doet niksen op een terrasje, zwaar bewapend met drinkbaar nat. Zo’n dag die niet stuk kan, dus. Geen moord in de verste omgeving te bekennen, of het zou al uitdroging met voorbedachten rade moeten zijn.

En toch zal het over moord gaan, vandaag. Kinderlijken, orgaanhandel, mensenhandel, homobars: ik ken prettiger onderwerpen, maar met Belinda als gesprekspartner mag het voor mijn part over de dissectie van een kever gaan. Niet dat u daar dan veel aan zou hebben, natuurlijk.

 

Een predikant met drie vrouwen die mits een nauwgezet uurrooster elke vrouw tevreden houdt. Een vrouw die verliefd wordt op een aquariumvis omdat ze denkt dat het de personificatie is van haar verdwenen echtgenoot. Een gangster die bij een bank solliciteert en ze vervolgens berooft omdat hij niet wordt aangenomen. Een ex-basketballer die levenslang naar zijn mislukte shot op de buzzer kijkt.

Je kunt ze niet zo gek bedenken of ze bestaan: de kwibussen in de wereld van Bavo Dhooge, die als pathetische losers hun maffe intenties verantwoorden met je reinste kromspraak. Een boek van Dhooge zit volgestouwd met zulke minkukels die je ondersteboven lullen dat het niet mooi meer is. Boeken die je in een trek doorleest, je moet wel, het is een verslavende vorm van entertainment. Dat hebben ze bij Vrij Nederland goed begrepen want zij werpen alvast naar Bavo met sterren alsof het shuriken zijn.

En de schrijver? Hij houdt niet op met schrijven. Als een metronoom van vlees en bloed, onverstoord rustig. Het epicentrum van deze krankzinnige janboel blijkt een bescheiden, correcte maar kordate kerel te zijn, die je op straat zo zou voorbijlopen. Maar vergis je niet: achter elke plot zit deze puppetmaster, die de touwtjes van de regie goed in handen houdt. Op Dhoog niveau.

Deze rubriek blijkt heel wat deuren te openen. Toch alvast die van de fijne woning van Stan Lauryssens in Oudenaarde, op de rand van het Pajottenland. Stan is al heel zijn leven de minzaamheid zelve, maar zijn partner Mieke doet daar nog een streep bovenop. In een gesprek van vijf uur (!) is het ondoenbaar de voorbereide snedigheid van dit interview te bewaren. Over Stan valt heel wat te vertellen, op voorwaarde dat je hem niet de touwtjes aanreikt van het gesprek, want voor je het weet zit je op een roetsjbaan van anekdotes en straffe verhalen. Stan is het immers gewoon dat de mensen aan zijn lippen hangen. Gepokt en gemazeld, de radde verkoper die hij ooit was, waarmee hij – jammer genoeg, vindt hij nu zelf - vele slachtoffers maakte.

Stan heeft geboet, we hebben het er straks over. Vooruitkijkend lijkt het me echter vreemd dat het zoetgevooisde klatergoud van zijn eerste carrière zo schril afsteekt tegenover het harde, rauwe wereldje uit zijn romans.

Voor we de schrijver Stan kunnen spreken moeten we langs de mens Stan. Wie is deze extreem extraverte man? Waar ligt zijn introverte kantje? Ik bedacht enkele snedige vragen en met het vaste voornemen me niet in de doeken te laten doen, tel ik alvast mijn vingers aan elke hand, voor ik over de drempel stap.

Vraag eender welke Vlaming drie Vlaamse thrillerauteurs te noemen. Aspe, Deflo, Mendes, Geeraerts: de in steen gegrifte klassiekers, die wel, maar weinig kans dat de naam Bram Dehouck zal vallen. Zelfs na wat nadenken komt een beetje belezen Vlaming met andere namen.

Zelfde oefening voor Nederlanders. Weinig kans dat ze aan drie geraken. Maar de naam Dehouck zal hier wél regelmatig vallen.

Dat heeft alles te maken met de putsch waarmee Bram zich in mei 2010 onvergetelijk maakte. Hij won op één en dezelfde avond, als volslagen onbekende, zowel de Schaduwprijs als de Gouden Strop van dat jaar. Met kleppers als Lieneke Dijkzeul en Carla De Jong naast hem, met René Appel die op het moment suprême ongetwijfeld al de handen op zijn stoel legde om recht te staan. Ik herinner me de totale perplexiteit die door de zaal golfde: Bram wie?

Een Vlaming die de kaas tussen het Hollandse brood vandaan komt halen, dat kan en mag al eens gebeuren. Maar iemand die de hele kaaswinkel gelijk mee inpikt? Het reglement heeft zich meteen boos gemaakt: voortaan werd het: één man (m/v), één prijs.

Dat kon Bram niet deren. Hij nam zijn tijd voor zijn volgende boek: Een zomer zonder slaap. Opnieuw kwam, zag en overwon hij. Dit keer tegen coryfeeën als Charles Den Tex en Peter de Zwaan. Je zag het respect in de ogen van de massa: twéé boeken? Drie prijzen? Dat is het verdomd het scoringspercentage voor een centrumspits van Chelsea. In Nederland houden ze voortaan rekening met die minzame Vlaming, met al zijn mooie woorden.

Het interviewen van een politiecommissaris uit Brussel in dit post-Charlie tijdperk kan een hachelijke onderneming zijn. Eerst en vooral duurt het een poos voor je een plekje in zijn agenda bemachtigt maar, eenmaal aan de deur, blijkt de onmiddellijke omgeving hermetisch afgesloten voor mogelijk gespuis, inclusief journalisten. De agenten aan de deur tonen mij bereidwillig hun nieuwste model Kalasjnikov. Ik moest me tweemaal identificeren, en aan het einde was Christian De Coninck hoogst verwonderd dat we niet waren gefouilleerd. Tegen dan was ik zo murw dat ik spontaan zou meedoen aan een line-up.

Bij wijze van wraak lees ik de commissaris zijn rechten voor. Hij mocht zwijgen. Alles wat hij zou zeggen kon tegen hem worden gebruikt. Hij had recht op een advocaat. Indien hij die niet kon betalen, zou ik er wel een zoeken. Nou, die zat, dacht ik.

Christian De Coninck geeft me echter dadelijk lik op stuk: “Ik beroep me op mijn zwijgrecht en ik wens een advocaat.”

Die ik niet kon betalen. 1-0 voor de flikken.

Pagina 1 van 2