achtergrond

De zaak Mark Rothko

De zaak Mark Rothko mag tegenwoordig in de vergetelheid zijn geraakt, van 1971 tot 1979 was het een hit in alle krantenkoppen. De zaak Rothko werd het schoolvoorbeeld van de zwendel waaraan goedgelovige kunstenaars bloot staan bij het valideren van hun werk. De reeks processen die de nazaten van Mark Rothko uiteindelijk won werd meteen de rechtspraak waar de kunstwereld zich nu aan spiegelt. Sindsdien worden professionele relaties in de kunst gebetonneerd in dikke contracten.

Op 25 februari 1970 werd Mark Rothko dood gevonden door zijn assistent op de keukenvloer. Hij had zijn polsen over gesneden en nam een overdosis antidepressiva.
De toen 66-jarige kunstenaar verkeerde in de waan dat hij over zijn hoogtepunt was en dat hij ook fysiek en mentaal niets meer kon betekenen voor zijn nabestaanden. Niets was minder waar.

Marcus Rothkowitz was een Letse inwijkeling, die met zijn ouders meekwam naar Portland, Verenigde Staten. Aan werken had hij een broertje dood, maar schilderen ging hem wel af. Na een tijdje wekte hij de interesse van kunstgalerijen. In ruil voor een maandelijks loon ondertekende Rothko een contract met de Marlborough Gallery, waarbij hij 50 % van de mogelijke winsten op zijn werk afstond. Niet zo ongewoon in de kunstwereld, ook Pablo Picasso ging ooit akkoord met zo’n deal.
De Marlborough Gallery speelde het spel echter niet eerlijk. Frank Lloyd, eigenaar van de galerij, construeerde een financiële doolhof tot in Liechtenstein, waarbij de werken van Rothko twee keer werden verkocht. Eén keer virtueel tegen een lage prijs, en één keer reëel tegen een veel hogere prijs. Zijn hele carrière lang verkeerde Rothko in de mening dat zijn schilderijen geen succes hadden.

In 1969, een jaar voor zijn dood, verlengde Rothko bovendien het contract en richtte hij de Rothko Foundation op, waar hij het merendeel van zijn werken zou onder brengen. Executeur van dit contract werd zijn vriend Bernard Reis. Rothko schonk ook nog enkele werken aan zijn kinderen, om hen van financiële zekerheid te verzekeren.

De dood van Rohtko, een half jaar later gevolgd door zijn vrouw, bracht alles in een stroomversnelling. De drie executeurs van de Rothko Foundation hadden allen boter op het hoofd. In samenspraak met de Marlborough Gallery verkocht Reis precies honderd werken van Rothko, ver onder de waarde, voor het totale bedrag van 1,8 miljoen dollar. Nog eens 698 werken werden in consignatie gebracht bij Marlborough, tegen een commissie van 50 %. Reis passeerde darmee twee keer langs de kassa: commissie plus de helft van de winst van de eigenlijke verkoop.
De dochter van Rothko, Kate, werd bovendien geconfronteerd met de eis van Marlborough die, zich beroepend op het contract met Rothko, de teruggave eiste van de schilderijen die in het bezit waren van de familie. Dat brak de ban.
Kate Rothko en haar familie startte een proces, waarvan het allerlaatste beroep in 1977 in New York werd afgehandeld. In totaal waren er 89 rechtszaakdagen. Terwijl Kate Rothko probeerde de schilderijen van haar vader terug te krijgen en gelijk de drie executeurs te wraken, ging de zwendel tijdens het proces zelfs gewoon door.
Lloyd en zijn kompanen werden veroordeeld voor terugbetaling van 9,2 miljoen dollar, een fractie van hun woekerwinsten. Kate Rothko kreeg zowat de helft van haar vaders werken opnieuw in bezit.
Van de andere helft haalt regelmatig een of ander werk recordcijfers. In 2005, 2007 en 2011 werden schilderijen van Rothko respectievelijk voor 22,5 miljoen, 72,8 miljoen en 30 miljoen dollar verkocht.

Met de Zaak Rothko verloor de kunstwereld definitief haar onschuld.