No Society

Recent de mening gelezen van de Franse wetenschappelijk auteur Christophe Guilluy. Hij beweert dat zowat iedereen op termijn tot de lagere klassen zal behoren, dat de middenklasse verdwijnt en er tussen elite en onderlaag het grote niets zal bestaan. Die gedurfde stelling kietelt de witte ridder in mij.  

Guilluy is/was raadgever van Sarkozy en Macron, dus een belangrijke zegsman voor de publieke opinie. In zijn boek No Society. La Fin de la classe moyenne occidentale beweert hij dat de lagere klasse economisch, cultureel en politiek zal afhaken. Guilluy onderzoekt al lang hoe de sociale verdeling in Frankrijk verschuift. Zowel reëel als virtueel. Zo verhuist de lagere middenklasse weg van de vijftien grootste steden, verdreven als ze wordt naar de periferie. De helft van de Franse bevolking verdient minder dan 1750 euro per maand. De helft van de gepensioneerden geen 1100 euro. Franse cijfers, maar zeer vergelijkbaar voor Vlamingen. Het verdienmodel bestaat voortaan uit een minderheid van goedbetaalde banen voor hoogopgeleiden en een massa onderbetaald werk voor de rest. Terwijl ze op de bodem watertrappelen, fietsen ze aan de top met het hoofd in de lucht.  

Voor Guilluy gaat er geen weg naast: de ongelijkheid neemt toe, en precies op dat moment krijgen we een identiteitscrisis met de immigratie. Sociale onzekerheid gaat samen met culturele ontwaarding. Het is op die voedingsbodem dat populisme teert. Populisme, zo beweert de Fransman, zal geen tijdelijk fenomeen blijken, het wordt de nieuwe toekomst voor het grootste deel van de bevolking. De ons bekende populisten, hetzij in eigen land, hetzij in andere Europese of Amerikaanse staten, zijn geen profeten die het warm water hebben uitgevonden. Het zijn de hard brullende excessen van de onderlaag die zich aan het zetten is.

Hiermee heb ik de theoretische, onderbouwende verklaring gevonden voor het buikgevoel dat ik al lang koester. Het woord crisis  is een term uit de jaren zeventig en tachtig, toen onze politieke leiders begrepen dat de vette jaren voorbij waren en het plebs zich best de pleurus moest besparen. Misbruik makend van de metafoor van het eind van de tunnel duwden ze ons een levensvisie door de strot waardoor alle staatkundige blunders en wafelijzers gefinancierd konden blijven. Tweeverdieners moesten plots alle zeilen bijzetten om hun verworven bestaan te vrijwaren. De getekenden van het leven, al dan niet door eigen schuld, vallen er langs onder met bosjes uit. Sommigen vinden we terug in de straten van Brussel of Antwerpen, de krochten van Schaarbeek of Gent. De laag daarboven bestaat uit alleenstaanden met of zonder kinderlast, gefailleerden, schuldbemiddelingsklanten, werkloze jongeren, zieken, ouderen, wezen. Sinds kort heeft kinderarmoede een gezicht gekregen. Werken en verdienen volstaan niet meer om een volwaardig leven te garanderen. Alles is volatiel en in totale beweging.

Hoewel ik dit beleef, wil ik dit niet aanvaarden. In een naïeve poging een druppel te plengen in de Kalahari, stel ik voor dat de politiek zich hervormt tot een denktank voor de lange termijn. En niet louter dient om een opvangnet te vullen met zitpenningen of uitkeringsvergoedingen. Wordt vervolgd.