Manu militari

Ik weet niet hoe of waarom, maar onlangs vertelde ik opnieuw mijn favoriete anekdote.
1981 of zoiets. Ik werkte bij de NMBS en kreeg een delirium van de gratis treintickets voor Europa. In onze jeugdige overmoed beslisten mijn vrouw en ik naar Mykonos te reizen. Per trein. Voor mij volledig gratis, mits de juiste tickets. Mijn vrouw mocht gratis tot Joegoslavië, daarna aan 50 % vermindering. Ik regelde de reservatie in Brussel-Zuid. Hoeveel zou dat kosten?
“Weet ik niet,” zei de loketbediende. “Wat is de grensplaats weer met Joegoslavië?”
Hoewel mijn geografische kennis spectaculair onmetelijk is, had ik geen weet van dat ongetwijfeld idyllische grensdorpje. Geen nood, de mevrouw zocht het op:
“Gevgelija,” riep ze triomfantelijk, alsof ze een quiz won. Ik betaalde belachelijk weinig, maar kom, in die landen was alles goedkoop, toch?.

De reis van Brussel naar Keulen ben ik vergeten, maar die van Keulen naar Athene zal ik me mijn hele leven herinneren. Het hele traject duurde 54 uur, inclusief overnachtingen en vertragingen, in een trein die tot op de draad versleten was. Geen restauratiewagen, geen hygiëne. De vuilbakjes zaten propvol voor we de Duitse Alpen zagen. Een stortpegel in elk rijtuig beperkte ons zicht. Hoewel ik dit beleefde, moest ik het niet aanvaarden
Bij een van de talrijke tussenstops bekeek ik de witte, ijzeren platen met plaatsnamen, aan de zijkant van de trein. Er begon mij iets te dagen.
Voor we het wisten sukkelden we de Oostenrijkse nacht in, dromend van bouzouki en ouzo. Joegoslavische ochtenden begonnen in die tijd echter tussen drie en vier uur, en dat ging gepaard met agressief gebons op de deur. Ik meen dat ik zelfs “aufmachen” hoorde. Dat kietelt de witte ridder in mij.
Gewapende douanebeambten overspoelden alle couchettes, midden in de nacht. Tot tweemaal toe. Hier en daar werd een naïeve toerist uit zijn couchette gecommandeerd om een koffer open te maken. Wij dus. Papieren vodjes werden uitgedeeld, waarop ik naam en voornaam van mijn vader moest noteren. Geen nationaliteit, geen identiteit, geen bestemming. We herinnerden ons angstwekkende verhalen van vrienden. Wie niet gehoorzaamde aan deze muur van onbegrip riskeerde van de trein te worden gezet, te stranden in un blet de rien, met een gigantisch taalprobleem. Eén beambte wilde zijn stempel in mijn paspoort kletsen, maar dat hadden wij niet. Wij hadden toen die groene stijve kaarten, remember? Zonder verpinken legde hij zijn stempel neer, nam een vooroorlogse bic uit zijn borstzak en parafeerde mijn kaart. Hij gaf ze terug, met een blik van genoegdoening. Wie dacht ik wel dat ik was?
In een naïeve poging een druppel te plengen in de Kalahari ben ik het gaan uitleggen aan de loketbediende van Athene. Die zag het meteen, toen ik hem de tickets toonde. Mijn vrouw en ik werden wel vier keer gecontroleerd door een leger eikels, maar zij was uiteindelijk helemaal gratis door Joegoslavië gereden, 1200 km lang. Gevgelija is immers de grensplaats met Griekenland, niet met Oostenrijk. Geen wonder dat daar, enkele jaren nadien, oorlog van kwam.