Rode mutsen in Saigon

Ik verwonder mij nog steeds in Vietnam. Slechts 8 % Vietnamezen is Rooms-Katholiek en toch waad ik hier volop in het rood en wit van Kerst. Het lijkt wel of FC Antwerp op verplaatsing speelt. Overal schalt Jingle Bells in de meest afschuwelijke muzakversies die je maar kan bedenken.  Winkelpersoneel draagt van die idiote rendierhoedjes. In een taxi hoor ik een Spaanse gitaar met vijf snaren sneeuwvlokken spinnen. Waar is Bing Crosby als je hem nodig hebt? Hoewel ik dit beleef, wil ik dit niet aanvaarden.

Vietnamezen, Aziaten tout court, die met Kerst dwepen, dat kietelt de witte ridder in mij. Hoe zit dat? Werd kerst geadopteerd zoals wij met Halloween deden? Of Black Friday? Nalezen leert dat het katholicisme hier een Franse stempel draagt, meermaals werd verstoten, maar uiteindelijk een plek heeft veroverd, naast de Grote Drie: Boeddhisme, Taoïsme, Confucianisme. Waarom is dat uiterlijke vertoon hier dan wijdverspreid? Met de christelijke boodschap van vrede op aarde heeft het alvast niet te maken, want daar merk je de ballen van. Het is hier ieder voor zich. Om te overleven in Vietnam moet je niet op je medemens rekenen. 

Het spijt me als ik uit hetzelfde vaatje tap, maar deze ingebakken intolerantie kennen we niet in onze strak gereguleerde westerse maatschappij. In zijn zichzelf regisserende chaos dwingt elke Vietnamees zijn plek af met een bewonderenswaardige souplesse,  zeker op straat.   

Fascinerend hoeveel en hoe Vietnamezen op een scooter rijden. Een willekeurig staal uit de dagelijkse verkeersbrij van Saigon schat ik op 1% fietsers, 15% auto’s en de rest scooters. Vanuit een taxi zat ik op kerstavond naar vier rijen scooterfile te kijken. Hele huishoudens op één zadel. Ladingen waarbij een beetje Belgisch politieagent in een schrijfkramp zou schieten. Een verzekeringsagent daarentegen moet hier de tijd van zijn leven hebben.

Als auto-chauffeur ben je niet op je gemak, denk ik zo, omgeven door zwermen claxonnerend motorisch geweld, dat alle richtingen uitgaat, behalve de correcte. Als voetganger heb je immers geen rechten. Je wordt desnoods van je sokken gereden als een scooterrijder tot een opportunistisch binnenwegje besluit. Ogen toe en traag door de verkeersstroom laveren, geeft de grootste garantie op overleven, want noch zebra- of voetpad bieden soelaas. Voetpaden zijn voor werkloze scooters, netjes op een rij, honderden na elkaar, de enige mate van orde die ik overigens kon ontwaren. Zelfs de chauffeur die zijn toeristenbus precies op dat stukje voetpad wilde parkeren, waar ik zo-even dacht gebruik van te maken, gunde me geen blik waardig. Trottoirvuil, dàt ben je. 

In een naïeve poging een druppel te plengen in de Kalahari wil ik de arme Vietnamezen overtuigen dat die meedogenloosheid niet strookt met de gedachte van vrede op aarde, met de Jingle Bells en rode mutsen. Maar wie ben ik, om dit volk, dat zowel oorlog als vrede meermaals heeft overleefd, de les te spellen? 

Misschien is een groot kruispunt in Saigon wel de juiste plek om de confrontatie aan te gaan met je eigen nietigheid. Zen hoeft niet altijd zo moeilijk te zijn.