Vlaanderen moet het nieuwe Zweden worden

Op het einde van de thriller Drie Uur legt Anders Roslund uit waarom Zweedse thrillers zo gegeerd zijn geworden. Hij vond een oude krantenpagina op de bodem van een kartonnen verhuisdoos. Het bleek de literatuurbijlage, met de Zweedse Top 10 van 20 jaar daarvoor. Daar stonden slechts twee thrillers bij, een Amerikaanse en een Engelse. De rest waren chicklits, historische, sarcastische of dramatische romans. Nu, anno 2018, wordt die lijst elke maand gedomineerd door minstens vijf Zweedse misdaadthrillers. Hoe kon dat gebeuren? De auteur geeft zelf het antwoord in zijn besluit.

Dat kietelt de witte ridder in mij. Roslunds tekst zou verplichte lectuur moeten zijn voor Vlaamse misdaadauteurs en hun uitgevers. Wij staan immers precies daar, waar Zweden stond, twintig jaar geleden. Jef Geeraerts was toen in de bloei van leven en werk. Als controversieel maar bekroonde schrijver groeide hij uit tot de Grote Roerganger. Vincke en Verstuyft werden de prototypes voor een vloed gekloonde speurders: Van In en Versavel, Reutti & Lebrun, Coppens en Degraef, Carpentier & Dewit, Bosmans & Deleu …

Bedenkelijker is dat haast niemand de starre, clichématige verhaallijn wenste te doorbreken. Misdaadromans begonnen zonder onderscheid met een epiloog, meestal geschreven vanuit het standpunt van de anonieme dader. Vervolgens had je een lijk, waar het inspecterende duo naar toe moest, onveranderlijk gevonden door man met hond/jogger/huishoudster. Het lijk vertoont een respectabel aantal kogelgaten/stiletto door het hart/staaldraad rond de nek. Vervolgens komt de patholoog-anatoom op de proppen, steevast een hautain type dat Nietzsche citeert/gastronomie bespreekt/moppen tapt. Vervolgens gebeurt een buurtonderzoek/getuigenverhoor/persconferentie. Hier is even een ogenblik om te pauzeren/een Duvel te drinken/ flirt te starten en wordt duidelijk waarom de inspecteur een alcoholist/zwartkijker/psychopaat is. Valt beter te begrijpen nadat de commissaris er overmatig aan herinnert dat de speurder vorige keer in de fout ging/er geen budget is/ heel wat zaken wachten. Naargelang de ernst, vallen er nog drie/vier/vijf doden waarbij de dader uiteindelijke een fataal foutje maakt. Net voor het einde wordt de dochter/lief/echtgenote van de speurder uitverkoren als laatste slachtoffer. Op het moment dat de vrouw in kwestie wordt gevierendeeld/uiteengereten/gaargekookt stormt de politie binnen. Aan het slot valt iedereen in elkaars armen en herneemt de speurder een nieuwe poging om zijn leven in het gareel te krijgen/zijn lief te huwelijk te vragen/zijn dochter te vergeven. Herkenbaar? Hoewel ik dit beleef, wil ik dit niet aanvaarden.

In een naïeve poging een druppel te plengen in de Kalahari, doe ik een warme oproep om het over een andere boeg te gooien. Maak van Vlaamse misdaadromans een literaire karakterkop. Een kop in het schuim. Door plots meeslepend te maken, personages diepte te geven, niet alles aan de nek van één politieman te hangen. Maak van misdadigers mensen van vlees en bloed. Schrijven is een ambacht, geen seriewerk.

Ooit zal de balans opnieuw omslaan, daar ben ik van overtuigd. Koks horen in de keuken, schrijvers op hun zolderkamer. Herhaling verdooft, originaliteit prikkelt. Ooit zullen lezers weer naar échte artiesten vragen. Naar de ambachtslieden van fantastische verhalen. De Ruiters van de Apocalyps. Ooit.