VOORPUBLICATIE

De Zalige Moordenaar

6 APRIL 1994 - RWANDA/Kigali

 

Tien gewapende Belgische paracommando’s wiegen die nacht synchroon op de banken van een geblindeerde Mercedes UNIMOG. Hun gezichten staan grimmig maar geconcentreerd. Ze dragen allen een lichtblauwe UNAMIR-helm. De duisternis in de laadruimte is voor niets nodig. Het is niet de bedoeling dat dit peloton zich verschuilt. Integendeel, ze moeten goed zichtbaar zijn. Toch herkent iedereen zijn eigen angst in het oogwit van de overbuur.

Het peloton bestaat uit tien blonde goden die zich elke ochtend zonder probleem 150 keer kunnen opdrukken en bij wijze van spreken ijzer vreten bij het ontbijt. Toch zijn ze zwaar onder de indruk van de omstandigheden. Het is behoorlijk griezelig om door oorlogsgewoel te rijden, afgesneden van zicht en inzicht, zodat je nooit kan schatten of het volgende salvo al dan niet het laatste zal zijn. Twintig minuten geleden werden ze gewekt door die reusachtige knal waarmee het presidentiële vliegtuig uit de lucht werd geschoten. Gevolgd door explosies van brandstoftanks. Geen minuut later stormde de majoor de barakken binnen.

"Drie minuten. Battle dress, wapens en helm. Nù. De koets staat op de koer. Briefing onderweg. Luitenant, op appel!"

Onderweg kregen ze van de luitenant te horen dat ze moesten instaan voor de veiligheid van mevrouw Agathe Uwilingiyimana, de Eerste Minister van Rwanda. Normale gang van zaken bij een revolutie. Wanneer Numero Uno sterft, bescherm je de tweede man, in casu vrouw.

Net op tijd. Uwilingiyimana’s residentie is niet omsingeld. Geen rebellen te bespeuren. Luitenant Thierry Lottin klopt met aandrang op de deur. Een oude man doet open, helemaal gekleed. Hij knikt alsof hij de situatie onder controle heeft. Binnen aan tafel zit een kapitein van het Rwandese leger te telefoneren met een vinger in zijn oor. Een rijzige vrouw komt praten met de luitenant. Hun gesprek is kort maar geagiteerd. Ze kijkt naar het peloton, glimlacht bedrukt, draait zich om, klapt in haar handen. Enkele kinderen en getrouwen scharen zich rond haar, de slaap in hun ogen. In twee, drie zinnen licht ze hen in. Ze wijst naar luitenant Lottin. Angst wordt bedwongen, maar hier en daar rolt een traan.

Onder druk van het UNAMI-peloton loopt iedereen via de veranda naar de tuin. Buiten is het pikdonker, op uitzondering van de momenten dat een explosie de omgeving oplicht. Toch lijkt geweld minstens een kilometer verwijderd. "Vlug,” sist luitenant Lottin. “Er is niet veel tijd."

Iemand uit het gezelschap zet een kleine ladder tegen de haag, achteraan in de tuin, waar die het laagst is. Aan de andere kant blijkt iemand te wachten. Agathe Uwilingiyimana klimt de Rwandese kapitein achterna, gevolgd door haar kinderen en bedienden. Als laatsten klimmen twee Rwandese militairen mee, die plots uit het niets opduiken. De laatste is maar net over de haag, wanneer vooraan op de straatdeur wordt gebonst. Een van de UNAMI-soldaten pakt de ladder weg en draagt die naar een tuinhuisje. De andere negen lopen weer naar binnen. Met zijn geweer in aanslag roept Thierry Lottin: "Nous sommes UNAMI. U-NA-MI. On ne fait pas parti de cette guerre."

"Ouvrez quand-même," roept een barse stem. “Er zal u niets gebeuren. Si vous êtes vraiment UNAMI."

Lottin meent instemmend geknik te bespeuren bij zijn manschappen, maar zeker is hij daar niet van. "Ik open de deur," roept Lottin, terwijl hij iemand wenkt dat in zijn plaats te doen. “Niet schieten." Hij kijkt op zijn uurwerk. De minister moet meer voorsprong krijgen.

"Wij zijn hier om te praten," herneemt dezelfde stem. Wanneer de deur traag opendraait, wordt het peloton geconfronteerd met een groep van acht tot de tanden gewapende rebellen. Achter hen wordt alles helder belicht door een lamp boven een jeep. Ze dreigen grimmig met een FN P90. Shit, die krengen gaan door elk kogelvest. Hoe komt dit zootje ongeregeld aan zo’n elitewapens?

Achter de soldaten staat hun leider wijdbeens geposteerd. Groot en breed, in een kakipak vol bloedvegen, zonder insignes noch aanduiding van rang. Aan zijn pet bengelt een geelgroen lintje. In vlekkeloos Frans spreekt hij de luitenant en zijn manschappen toe: ”We vragen u met aandrang de wapens neer te leggen. Er wordt niet verder gepraat alvorens u de wapens neerlegt."

"Dat is hoogst ongebruikelijk," weerlegt Lottin. “Wij zijn UNAMI. Wij zijn neutraal en gaan te allen tijde vrijuit."

De grote man lacht schamper. ”Zo neutraal bent u dan weer, dat u zich bemoeit met de politiek van het vrije Rwanda door de tegenpartij te helpen ontsnappen? Kom nou. Ik herhaal, voor de laatste keer: u moet uw wapens neerleggen, indien u hier levend wil vandaan komen."

"Ik overleg met mijn mannen," antwoordt Lottin kort.

"Mais bien sûr! U hebt exact één minuut." Na een boze blik draait Lottin zich om. Hij herhaalt kort in het Frans en het Nederlands wat van hen wordt verwacht.

"We hebben geen keus," zegt iemand. “T’es fou, quoi?" riposteert een andere. Lottin zucht. Moeilijke beslissing.

"Ik ben ervan overtuigd dat we onze wapens moeten neerleggen, wij zijn UNAMI, ze gaan ons niets doen." pleit hij. ”Dat geeft ruimte voor onderhandeling. En tijd aan de minister,” voegt hij er in het Nederlands aan toe.

Hij haalt diep adem, waarop hij zich bukt en zijn wapen voor zijn voeten legt. “Pé-lo-ton, désarmez-vous."

Aarzelend gehoorzamen zijn mannen. De laatste twee met duidelijke tegenzin. De donkere leider van de rebellen grijnst zijn slechte tanden bloot. "Merci Lieutenant. Als het u een troost kan zijn, ook Madame le premier zal niet ver geraken."

Waarna het UNAMI-peloton in één oogwenk wordt doorzeefd met acht maal 50 kogels.

 


 . . .

Agathe Uwilingiyimana, de eerste minister van Rwanda was Hutu, maar kwam op voor de bescherming van de Tutsi’s. Dat probeerde ze te realiseren met een humaan beleid, gebaseerd op wetten en besluiten, zoveel wisten we wel van de plaatselijke politiek. Helaas, in tijden van oorlog, geldt slechts één wet: die van de sterkste.
Toen het RPF op de voordeur bonsde, waren we in de tuin Agathe en haar familie naar de buren aan het loodsen. De buurman ontfermde zich over hen en verzekerde ons dat het in orde was. Hij nam het van hier over. Als we niet tegelijk met de RPF hadden moeten afrekenen, zouden we dat nooit hebben aanvaard. Terwijl ik als laatste het dochtertje van Agathe over de haag hielp, liepen mijn maten het huis weer in. Ik oordeelde dat het laddertje uit het zicht moest, dus droeg ik het snel naar het tuinhuisje. Dat zou mijn redding blijken.

Vanuit de tuin hoorde ik onze luitenant, Thierry Lottin, schreeuwen dat wij een peloton VN-soldaten waren, wat aan de andere zijde blijkbaar werd geaccepteerd. Nadat zoveel tijd werd gewonnen als maar mogelijk was, opdat Agathe voldoende voorsprong zou halen, ging de deur open. Ik had een naar voorgevoel en bleef in de veranda staan, waar ik via een spiegel de scène goed kon volgen. Net als mijn maats schrok ik van de zwaar bewapende tegenstand.

Ik wilde mijn mening komen geven, maar kreeg achterdocht omdat de onderhandelaar van de RPF achter in plaats van tussen zijn mannen stond. Ik hoorde hoe hij mijn maats toeriep hun wapens neer te leggen. Er ontstond discussie. Met het wapen in de hand werd binnen het peloton over en weer geroepen. Uiteindelijk kon Thierry iedereen overtuigen. Hun opdracht zat erop, gebaarde hij. Agathe was kunnen vluchten. Het had geen zin voor held te spelen. Dat waren zeer plausibele argumenten. Ook het feit dat we neutrale soldaten waren, Belgische onderdanen, was een valabele gedachte. Thierry dacht dat die argumenten zouden wegen, ik kan het hem niet kwalijk nemen. Helaas. Het snelvuur waarmee mijn maats werden neergemaaid, scheurt vandaag nog steeds pijnlijk door mijn maag. Daar verloor ik het laatste greintje vertrouwen in de mensheid.

Ik behield de tegenwoordigheid van geest niet als een zot mijn dood in te rennen. Ik ging er vandoor. Waarschijnlijk had iemand een beweging gezien, want ik hoorde roepen. Ik wachtte in ieder geval de gevolgen niet af en liep door de tuin, dezelfde weg over de haag als de familie van Agathe, die natuurlijk niet meer te bespeuren viel. Een salvo weerklonk, net toen ik met mijn volle gewicht op de haag sprong. Ik voelde een kogel tegen mijn hak ketsen.

Daarmee was ik vlugger over de haag dan ik al wilde. De takken in mijn gezicht deden me niets. Aan de andere kant viel ik op een bergje humus, tuimelde naar voor, stond op en zette het op een lopen. Via het achterpoortje kwam ik in een smalle straat. Ik koos rechts, weg van de rebellen, tenminste diegenen die me niet door de tuin zouden volgen. Doch de eerste rebel zag welke zijstraat ik koos.

Dit was een stadswijk waar de huizen dicht op elkaar stonden. Kleine straten, met tal van waslijnen die de straat overspanden, waar mensen angstig vanachter ramen toekeken. Aan het einde zag ik een rij onbewoonde huizen, de meesten met ingestort dak. Het moest een werf zijn, want ik merkte een kleine geparkeerde bulldozer, wat naïeve stellingen tegen een huis en een grote bak mortel of wat ervoor moest doorgaan. Ik overwoog mijn kansen. In het open veld waren die nihil. Als ik me verstopte waren ze bitter klein, maar had ik tenminste een kans.

Ik liep door naar het voorlaatste huis, achterste kamer, zag een stapel rieten matten. Ik sleurde er drie af, ging liggen, schikte ze moeizaam boven op me. Ik hield mijn geweer in aanslag, trok met mijn vrije hand een granaat van mijn gordel, hield de pin intact. Ik wachtte af.

Een hele tijd gebeurde er niets. Ik hoorde roepen, precies voor het huis waar ik me verschool, maar men liep blijkbaar verder. Net op het moment dat ik begon te geloven dat alles veilig was, hoorde ik een gebrom dat alsmaar aanzwol. Ik vroeg me af wat dit in hemelsnaam kon betekenen tot ik het geluid herkende van een bulldozer. Die bulldozer!

Een ogenblik later werd de hele huizenrij platgewalst. Ik wilde opspringen vanonder mijn matten, maar het helse gekraak van hout en plaaster kondigde het neervallen van de muren aan. Ik besefte dat het veiliger was om te blijven liggen en werd geheel vrijwillig bedolven onder gruis en platen, opstuivend stof en een vallende duisternis, die zich verplaatste naar mijn hoofd, waar nochtans één gedachte hardnekkig overeind bleef: ik mag die granaat niet activeren. Niet-ac-ti …

                   

Kigali - huis van Yassour

. . .

Oké, ik was zo goed als dood. Bedolven onder tonnen gruis en hout. Hoewel ik me niets herinner mag ik van geluk spreken dat ik het heb overleefd. Mijn bewust leven herbegon pas weken nadien. Toen ik voor het eerst bijkwam, bleek ik te verblijven in een verduisterde woning. Bij bewustzijn betekende niet dat ik helder kon denken, wel dat ik dingen traag registreerde. Bezwerende gezangen van een oude, gekke man bijvoorbeeld, zonder dat ik daar begin of einde kon aan verbeelden, water en thee tot ik moest kokhalzen, een berg dekens waaronder ik telkens hard moest zweten. Met deze mix van toverij en kruiden werd ik blijkbaar in leven gehouden.

Die klap op mijn lichaam en hoofd moet met mij iets hebben gedaan, want hoewel ik na een tijdje al mijn zintuigen kon gebruiken, verloor ik alle besef van realiteit. Ik zag waar ik was, maar kon dat niet bevatten. Het duurde bovendien een hele tijd voor ik kon praten. Praten betekende weer niet dat ik volzinnen kon uitspreken. De verbinding tussen mijn hersenen en mijn spraak nam heel wat tijd in beslag.

De vader van de familie kwam met me praten, in gebroken Frans. Yassour heette hij. Van hem kreeg ik stilaan zicht op wat me was overkomen. Hij legde uit hoe hij en zijn dochters mij weken lang hadden verzorgd. Hoe ze mijn koorts hadden verslagen door me vol te gieten met kruidenthee, kompressen te leggen en mijn gebazel te aanhoren. De passage van de wijktovenaar kwam er vanwege de onvermijdelijke sociale druk, waaraan Yassour ten prooi viel. Toen ik, midden zijn uitleg, probeerde recht te staan, viel ik prompt in zwijm van een pijnscheut door mijn lijf. Yassour begreep dat ik iets gebroken had, liet iemand komen die mijn been spalkte en plaasterde. Lag ik daar weer voor een week of vier. Yassour was blijkbaar iemand met wat aanzien in deze wijk want hij kreeg alles redelijk snel voor elkaar. Later zou ik horen dat hij de tuinier was van Agathe Uwilingiyimana, en mijn soldatenuniform ervoor zorgde dat ik bij hem terecht kwam. Daarna droeg ik een daishiki en een katoenen broek. Mijn geweer was nergens te bespeuren.

Na een tijdje was de koorts geweken en kon ik mijn eten binnenhouden. De rantsoenen waren klein, met veel rijst, waardoor ik begreep dat deze mensen het weinige deelden wat ze hadden. Ik registreerde dat gewoon, het kon me geen zier schelen, want mijn empathie voor anderen was ik totaal kwijt, zoals nog zou blijken.

De dagelijkse verzorging werd voornamelijk gedaan door de dochters van Yassour, die niet ouder dan 14 en 17 konden zijn. Zo te zien waren ze onder de indruk van dat grote blanke mannenlijf, dat ze mochten wassen en verzorgen, maar mij kon hun aandacht niet schelen. Yassour zelf kwam dagelijks langs en beantwoordde dan de meeste van mijn vragen. Buiten was er een burgeroorlog aan de gang, zei hij, waarbij Yassour vreesde dat zijn familie op een dag in groot gevaar zou verkeren. Dat ik hun levensverzekering zou kunnen zijn.

Toen ik hem vroeg hoe ik dat in hemelsnaam moest klaarspelen, gekwetst en al, zei hij me zonder verpinken dat mijn wapen veilig lag weggeborgen. Dat mij dat ten gepaste tijde zou worden bezorgd. Die gelegenheid kwam vlugger dan een van ons kon denken.

Yassour bracht trouw verslag uit over de politieke situatie, die op zijn minst ingewikkeld was. De moord op mij en mijn maats had heel wat weerklank gekregen in de bewoonde wereld, zo vertelde Yassour, maar hier in Rwanda waren heel andere zaken aan de gang. Yassour zei dat Madame Uwilingiyimana en haar familie het uiteindelijk niet hebben gehaald. Zij en haar man zijn geëxecuteerd door de RPF, de kinderen werden naar een weeshuis gebracht. Ook andere ministers van de regering werden geëxecuteerd. Het leiderschap van Generaal Roméo Dallaire, leider van UNAMIR, werd door het Westen in vraag gesteld. Tot daar het verhaal dat ik me kon inbeelden.

Waar ik helemaal geen juist inschattingsvermogen over had, was wat buiten aan het gebeuren was. Daar bleef Yassour vaag over. Het RPF had de macht willen grijpen met de moord op president Habyarimana. Hoewel de Rwandese regering moest uitwijken naar een andere stad, bezaten ze een machtig wapen: Radio Milles Collines, waarmee ze de hele bevolking indoctrineerden. Overal waar je door straten liep, hoorde je Milles Collines met de opzwepende haatteksten tegen de Tutsi’s. Dat heeft de stop uit de fles gehaald. De Interahamwe, de zelfverklaarde militie van de toenmalige Rwandese regering, voerde hun missie uit, in naam van het zogenaamd hogere belang.

Terwijl ik werkeloos op mijn bed lag, waren de Interahamwe - Hutu’s - de Tutsi’s aan het vermoorden, met honderden tegelijk. Dit met inbegrip van alle vermeende Tutsi’s, zoals aangetrouwde familie, vermits de Rwandese samenleving totaal was vermengd. Het verschil tussen Hutu en Tutsi kun je vaak fysiek waarnemen, maar niet altijd, zodat dit een arbitrair gegeven was, dat echter voor de dagelijkse inquisitie in de straten van Kigali geen enkele belemmering vormde. De enige bevolkingsgroep van Rwanda die de dans ontsprong waren de Twa’s, gewoon omdat ze niet groter waren dan 1 meter 30.

Zo gauw mijn been zonder de spalken kon, probeerde ik fanatiek te oefenen, in de kleine kamer, geen tien vierkante meter. Ik stapte kilometers, eerst trekkebenend, na een week traag, twee weken later veel soepeler, zo door het hele huis. Als de familie al schrok wanneer ik voor het eerst in hun centrale kamer stond, herpakte ze zich goed, want al de volgende maaltijd at ik met hen mee. Hoewel Yassours gezin het rianter had dan eender welke Rwandese familie in de straat, zag ik dat eenvoud hier regeerde. Alles gebeurde bij het weinige daglicht dat werd getolereerd. Een andere vrouw dan de twee dochters van Yassour heb ik nooit gezien. Ik voelde dat de oudste, Nadege, kortweg Nadé, me met meer dan gewone belangstelling bekeek, maar ik was nauwelijks onder de indruk.

Elke dag leken de problemen, het rumoer, dichterbij te komen, alsof iets systematisch werd afgewerkt. Soms vloog de deur open en kwam een opgewonden buur rapport uitbrengen bij Yassour, die hem altijd geduldig aanhoorde, maar hem vervolgens zo snel mogelijk buitenwerkte. Dit waren geen tijden om je buren aan te halen. Zo hoorde ik dat de Interahamwe opnieuw terrein won op het RPF.

Op een dag was het zover. Vroeg op de avond drong het tumult van de straat onze woning binnen, heviger dan anders. Yassour en zijn jongste dochter trokken naar buiten om poolshoogte te nemen. Ik zou hen nooit meer terug zien.

Nadé trok me gehaast bij de hand naar haar slaapkamer. In nog gebrekkiger Frans dan haar vader riep ze dat de militie de wijk aan het schoonvegen was, dat het tijd werd dat ik hen hielp, en haar ook, voegde ze eraan toe. Ze ging plat op de grond liggen en haalde mijn geweer van onder haar kleerkast, duwde het in mijn armen. Ik trok het wapen tegen me aan als een goede bekende en knikte naar haar dat het goed was. Dat moet ze verkeerd hebben begrepen, want het volgende moment zat haar hand in mijn broek en trok ze me met haar andere hand boven op haar smalle bed. Ze kuste me onhandig met klapzoenen op kaak en lippen, maar haar jonge borsten, waarvan ze een in mijn mond duwde, lieten aan duidelijkheid niets te wensen over. Ze begon zelf haar lichaam, met kleren aan, tegen me aan te stoten, terwijl ze tegelijk een poging ondernam mijn broek naar beneden te duwen. Dat veroorzaakte een belachelijk cadans, zodat ik me half oprichtte en dat laatste maar zelf deed. Ik hield heel even in om te kijken naar wat ik zou aanrichten met een 17-jarige zwarte trien en het feit dat ik op dat moment zo gevoelloos dacht over iemand die me zo belangeloos had geholpen, had me moeten waarschuwen. We hadden het beiden echter te druk met het ontsteld kijken naar mijn penis. Zij was behoorlijk onder de indruk van de lengte van mijn toch slappe lul maar ik kon niet begrijpen waarom hij niet stijver werd van zo’n lekker lijf.

Dat moment zal ik moeten vereeuwigen of het zou op zijn minst de cover van mijn boek kunnen worden, want net dan stormden enkele soldaten van de Interahamwe binnen, in een lawaaierige wolk van geweld en getier. We werden betrapt en flagrant délict zoals dat heet, wat meteen het laatste gelukkige ogenblik betekende voor Nadé. De eerste soldaat die bij ons geraakte begreep de situatie totaal verkeerd. Hij ging ervan uit dat ik bezig was die zwarte Tutsi een lesje te leren, trok mij redelijk meegaand van haar af, om zich vervolgens zelf zonder pardon toegang te verschaffen tot haar spleet. Rondom hem stonden nog zes anderen aan hun fluit te trekken, tot ze elkaar zouden wegtrekken van grote goesting. Ik stond aan de rand van deze actie en was getuige hoe Nadé werd verpletterd en geslagen, versmoord en versmacht, terwijl ze, wanneer ze het maar kon, gilde dat horen en zien verging. Hoewel ze dit waarschijnlijk niet zou overleven, deed het me hoe-ge-naamd niets.

En ik? Ik pakte mijn geweer van de grond, draaide me om en liep naar buiten. Ze deden maar. Op straat wandelde ik echter recht in de likkende vuurmond van de hel, waarbij horen en zien verging. Lawaai ontplofte als een kwaadaardige bal, vol in mijn gezicht. Er werd geroepen en gegild, geschoten en geslagen. Overal werden bewoners uit hun huizen getrokken, de straat op, waar iedereen kon zien hoe snelrecht werkt. Mannen werden binnen de vijf seconden onthoofd door machetes of kregen gewoon een kogel door het hoofd. Vrouwen, zo goed als van elke leeftijd, werden de kleren van het lijf gerukt en soms door drie soldaten tegelijk verkracht, gewoon tegen de muur of op de grond. Wie misbaar maakte, werd afgemaakt. Tegenstand baatte niet, het geweld was gruwelijk en onontkoombaar. Levens werden verwoest in no-time. Dit was de mensheid op haar dieptepunt.

Is het omdat ik geen enkele verdachte beweging maakte? Of gewoon omdat ik blank ben, juist omdat ik blank ben? Niemand viel me ook maar één seconde lastig. Alles gebeurde langs me heen alsof het een droom was waar ik door wandelde. Ik ontweek de gevechten, liep de wijk uit, ging eenzaam op een bergje aarde zitten, en keek.

Ik keek naar een scène die Jeroen Bosch zich nooit had kunnen inbeelden. Ik keek naar een krioelende slangenkuil vol mensen, die het predicaat mens per seconde op minstens twintig afschuwelijke manieren schond.

Ik keek en het deed me niets. Absoluut niets.

Contact

Gele velden zijn verplicht. 

Laden, een moment...