Frederick Forsyth

De Vos

4 sterren

Wie heeft niet genoten van de verhalen van Frederick Forsyth, de man die in 1971 de wereld verbijsterde met zijn Dag van de jakhals? Dat ook deed met de romans The Odessa File, The Dogs of War, The Fourth Protocol, The Cobra, en nu, op 80-jarige leeftijd, The Fox. Zou dit het literair testament zijn van Forsyth?

Het heeft er alvast de schijn van. Want hoewel het centrale gegeven een bindend element vormt, lezen de avonturen van De Vos als een reeks kortverhalen onder hetzelfde thema. Waarover gaat het?

De Amerikaanse overheid ontdekt dat zeer geheime gegevens werden gehackt door een onbekende hacker. Er werd geen kwaad gesticht, niets werd gestolen of gekopieerd, het lijkt er op dat de hacker gewoon digitaal even kwam rondkijken in de meest geheime database ter wereld. Dat kon niet, dat bestond niet, dat was onmogelijk.

Dat laat de CIA natuurlijk niet over haar kam gaan. Na drie maanden zoeken blijkt dat de hacker opereert vanuit Luton, een kleine Engelse provinciestad, in een rustige residentiële wijk. Midden in de nacht wordt een aanval uitgevoerd, met een getraind paracommandoteam, aangevuld met Britse en Amerikaanse observators. De operatie verloopt vlekkeloos. Ze wordt besloten met de in het radiocircuit uitgesproken woorden: “Jullie geloven nooit wat we hier hebben gevonden.”

Het wat is een wie. Het is de 18-jarige Luke Jennings, de autistische zoon van Harold en Sue. Luke heeft het Asperger-syndroom en is alleen door zijn moeder benaderbaar. Het gezin wordt onder zware bewaking weggevoerd en ondervraagd. Uiteindelijk komt Adrian Weston, de nummer 2 van MI5, ter plaatse de ondervragingen bijwonen.

Gaandeweg wordt het duidelijk dat Luke een heel bijzondere gave heeft, die zijn uitdaging zoekt in de ingewikkelde computerwereld. Hij kan door intuïtieve ingevingen de meest ingewikkelde algoritmen de baas. Het is Weston, die als eerste begrijpt welke winst hier kan geboekt worden.

Onder hoede van een vooraanstaand deskundige leeft de familie voortaan undercover, ergens op het Britse platteland. Luke krijgt via Adrian opdrachten om dan eens de ene dan de andere mogendheid dwars te zitten met een sabotage. Zo loopt het meest prestigieuze slagschip van de  Russische marine vast op een zandbak in het Kanaal, zonder dat de state of the art digitale uitrusting van het schip er wat kan aan doen. Engeland boekt op die manier enkele heimelijke, politieke overwinningen.

Maar ook de tegenstander zit niet stil. Hier komt de vakkennis van Forsyth naar boven. Hij maakt de tegenstanders van Adrian en Luke menselijk en slim, zodat zij moordbrigades sturen naar het adres van de familie Jennings. Weston is die brigades dan weer te slim af. Zo gaat het verder tot het einde.

Dit geeft het gevoel dat Forsyth zijn laatste bruikbare maar ongebruikte scenario’s in één laatste boek heeft verzameld. Hij is mans genoeg om er een vloeiend verhaal van te maken dat niet bekend zal worden als zijn allerbeste, maar zeer zeker aangenaam leesvoer is. In al die jaren was Frederick  Forsyth, die net als John Le Carré, een voormalige spion was, de meer leesbare verslaggever van spionage. Hij was ook een van de eerste thrillerauteurs die de feiten in zijn boeken ontmoedigend juist had. Als iets in de echte wereld op een donderdag was gebeurd, dan zou dat ook zo zijn in zijn boeken. Nu wordt dat verwacht van elke thrillerauteur die zichzelf respecteert, maar Forsyth is dus een pionier. Een pionier die nu een veteraan is. Geniet nog één keer hoe een grootmeester van spionage een aangrijpende gebeurtenis kan maken uit bijna niets.