Hilde Vandermeeren

Beklemming is waar een thriller om draait

Torhout. Stille grond waar alles duister wordt. Zeker wanneer de koppige GPS je met alle geweld langs de grote Markt van Torhout wil loodsen, die dan afgesloten blijkt voor alle verkeer. Plaatselijke kermis. Gelukkig komt de Vandermeerense cavalerie ons even later te hulp.

Ook thuis is de familie Vandermeeren geen moeite te veel. Zon en tuin wedijveren in gastvrijheid. Koffie, pistolets en Hilde Vandermeeren steken de ogen uit. Zij staan, liggen en zitten zo klaar als wat voor dit interview. En wat dan gezegd van de blonde Luna Vandermeeren? Zij houdt constant een opgerolde sok in haar bek, en moet zo om de tien minuten onder tafel worden gestreeld vooraleer ze haar hondenleven weer aan kan.

Toch moet het vandaag gaan over moord en doodslag, prosopagnosie, sekten en internaat. Of over tweelingen, want Hilde heeft een “spiegelzus”, iemand waarnaar ze zwaait als ze voor een spiegel staat. Voor je daar om zou lachen: het is echt gebeurd en niet eens onzinnig. Want zwaaien doe je niet naar jezelf, maar wellicht wel naar iemand aan de overkant die op jou lijkt maar jou niet is, maar die je daar wel verwacht. Denk daar maar eens over na.

Het leven kan verschrikkelijk zijn, zo op een feestdag in Torhout. Laat ons alvast beginnen met dit interview. God, wat is dit toch een hondenstiel.

ONZE JUF SCHRIJFT KINDERBOEKEN

“Met welke soort drang schreef jij kinderboeken?”
“Vooral om verhalen te vertellen. Ik heb zelf altijd graag gelezen. De klik naar zelf schrijven is dan evident. Mijn eerste verhaal was een Vlaams filmpje, om te proberen. De volgende gedachte was uiteraard: waarom geen boek? Ik blijk goed de leefwereld aan te voelen van kinderen in de schijf van zes tot twaalf jaar. Ik vind die leeftijd zo rijk, zo onschuldig. Doordat die jonge kinderen niet alles begrijpen, kan je daar als schrijver humoristische situaties mee creëren. Toen mijn eigen kinderen opgroeiden ben ik bij deze leeftijdscategorie gebleven. Ik probeerde wel door te schuiven naar tienerboeken, maar eerlijk: het was mijn ding niet.”


“Wat waren jouw favoriete onderwerpen?”
“De bindende factor waren kinderen die op een of andere manier anders zijn, die een evolutie doormaken, gecombineerd met humor en tragiek.”


“Moet er structuur zijn in een kinderboek?”
“In het begin schreef ik altijd een structuur uit. Hoe is mijn hoofdpersoon bij aanvang, hoe op het einde? Waardoor ontstaat de verandering? Kinderboeken schrijven valt niet te onderschatten. Het is een genre waar op wordt neergekeken. Terwijl je toch dezelfde elementen gebruikt: dialoog, personages, spanningsboog. De eenvoud van de taal. Met weinig woorden veel zeggen.”

“Moet een kinderboekenschrijver psychologische kwaliteiten bezitten?” 

“Niet noodzakelijk. In mijn boeken probeer ik geen boodschap mee te geven. Ik geef wel stof tot nadenken. Mijn studie psychologie hielp me in die zin omdat ik weet waarmee kinderen van die leeftijd bezig zijn. Maar dat is geen must.”

L1050 04“Van kinderboeken naar thrillers, is dat een logische overstap?”
“Dat was een hele grote sprong. Het eerste manuscript, ik wist niet of dat zou aanslaan. Het was beginnen van nul. Maar ik ben iemand die uitdagingen niet uit de weg gaat. Ik zou het spijtig vinden als ik het niet zou geprobeerd hebben. Al van mijn 13e waren thrillers mijn favoriete genre. Ik heb die spanning nodig. Niet direct politieromans of spionagethrillers, eerder gewone mensen, die iets dramatisch beleven.”

 

ALS ALLES DUISTER WORDT
“Je kunt er niet omheen in dit verhaal: hoofdfiguur Claire Maenhout lijdt aan prosopagnosie. Na een auto-ongeluk is ze niet in staat gezichten te herkennen. Hoe ben je er toe gekomen dit onderwerp aan te pakken?”
“Als uitgangspunt voor mijn boek was ik op zoek naar een originele aandoening, die het verhaal bovendien spannend kon maken. Bij voorkeur iets met geheugen, omdat ik het vrij beangstigend vind als dat niet functioneert, als je je iets niet herinnert. Bij mijn onderzoek stootte ik op onwaarschijnlijke dingen, zoals een vrouw die zichzelf niet herkende op een foto. Prosopagnosie kan ook aangeboren zijn, het kan iedereen overkomen.”


“Het is wel cynisch dat het hele boek draait om het opruimen van een getuige die geen gezichten kan onthouden. Zodat de acties van de dader, de getuige er uiteindelijk toe aanzetten zich om de zaak te bekommeren.”
“Zij is inderdaad een onwetende getuige. Het tragische is dat alles wat de dader onderneemt om herkenning te voorkomen, eigenlijk niet had moeten gebeuren.”

“Door die prosopagnosie is zowat elk personage in het boek voor Claire verdacht. Op straat kan iedereen de dader zijn. Ze heeft rij-angst vanwege haar ongeluk en haar getuigenis over de moord wordt door de politie niet geloofd. Je maakt het haar niet gemakkelijk, hé?”
“Angst is juist wat de thrillerlezer wil herkennen.”
“Is dat een kenmerk van een thriller, onophoudelijke angst?”
“Wanneer ik vanuit mijn gevoel spreek, wat ik wil bereiken, dan is het eerder beklemming. Beklemming kan uitgroeien tot angst en wordt uiteindelijk bedreiging. Hoe de lezer dat ervaart, heb je als schrijver niet in de hand.”

“Zowel de moeder van Claire als die van de dader zijn geen leuke mama’s. Had je nog een rekening open staan?”
(lacht breeduit. Leo, de fotograaf laat zich daarbij niet pramen)
“Eigenlijk niet. Het heeft te maken met conflict. Wanneer ik terugkijk naar mijn jeugdboeken is die relatie tussen ouder en kind iets dat terug komt. Het is een heerlijke conflictbron, onuitputtelijk, het zit in alle facetten van het leven, iemand verliezen inbegrepen. Geluk is zo lastig om over te schrijven. Ik vind evenmin dat je alles moet meegemaakt hebben om er over te kunnen schrijven.”


“Je laat veel personages draaien rond Claire. Hoe heb je ze uit elkaar kunnen houden?”
“Ik start met een karakterfiche per personage. Daarna met het schetsen van relaties en conflicten. Ik merk dat ik dat stilaan niet meer nodig heb.”
“Nu we er toch aan toe zijn: hoe schrijf je? Intuïtief of gestructureerd?”
“In het begin was dat volgens een gestructureerd schema. Act 1, 2 en 3, zoals ik leerde op een scenario opleiding. Of wanneer iemand in het verhaal begint mee te spelen met een nieuwe functie. Ik schets waar ik begin en waar ik wil uitkomen. Ik heb geleerd de rest los te laten. Ik maak een groot prikbord met foto’s. De locaties zoek ik op internet en hang die op een prikbord. Ik absorbeer sfeer door daar naar te kijken.“

“Je bent fan van zowel Agatha Christie als Roald Dahl, lees ik. Wat vind je bij de ene wat je bij de andere niet vindt?”
“Agatha Christie is pure nostalgie uit mijn kindertijd. Ik begon ze te lezen vanaf mijn dertiende. Christie heeft veel verdienste in het uitwerken van karakters. Qua plot is zij vrij uniek. Van Roald Dahl kende ik zijn kinder- en jeugdliteratuur, zijn beroemde short story’s. Hij bezat een enorme fantasie, die je waarlijk geloofde. Dat vind ik een enorme prestatie.”

“Hoe geraakt een van jouw kortverhalen geselecteerd voor het Ellery Queen Mystery’s Magazine?”
“Dat was op vraag van Josh Pachter. Hij deed prospectie naar mensen die kortverhalen kunnen schrijven, en kwam zo bij mij terecht. Ik had er wel een paar liggen, stuurde er vier op, hij selecteerde De Vuurtoren.”


“Over wat gaat The Lighthouse?”
“Het is heel moeilijk een kortverhaal met een paar zinnen samen te vatten zonder de clou te verraden. Een oud koppel gaat op driedaagse naar een vuurtoren, op een klein eiland, helemaal afgelegen. Weer een heel beklemmende omgeving waar een paar dingen gebeuren waardoor de man zich begint af te vragen of zijn vrouw hem iets wil aandoen. Terzelfdertijd wordt de lezer meegesleept door de vraag wiens waarheid de juiste is.”

 

DE TOESCHOUWERS
“Op wat slaat deze titel? Gaat het over de mensen die toekijken op een misdaad zonder wat te ondernemen?”
“Toeschouwen bij pesterijen of misdrijven: ik denk dat veel mensen dat kennen: doe ik iets of doe ik niets. Hoe erg is het? Is het strafrechtelijk te vervolgen? Zoals die bekende voorbeelden op de Antwerpse tram, of in dat bedrijf waar iemand hard werd gepest. Dat raakt me: wat met het slachtoffer, de pesters, maar vooral: wat met al die mensen die daar rond staan en niets ondernemen?”


L1050 14“Je bent evenmin mals voor het wereldje van het internaat. Er wordt gepest, gemoord, gestolen en geïntimideerd. De bewoners van die school zijn zeker geen lieverdjes. Wat doet internaat met iemands persoonlijkheid?”
“Daarvoor heb ik mijn eigen ervaring als concrete bron. Ik was drie jaar in een meisjesinternaat. Ik gebruikte bekende verhalen, maar situeerde dit internaat wel in de bossen. Ik zocht een afgesloten omgeving, zodat ik opnieuw op die beklemming kon rekenen.”


“Waarom moest Marion een kei zijn in kickboksen? Heeft het iets te maken met haar hardheid tegenover Chavi?”
“Ze moest geloofwaardig kunnen vechten met een man, en dat kon alleen maar als ze sportief sterk staat. Kickboksen is daarvoor een mooie oplossing. Het is een harde sport, wat iets zegt over de manier waarop zij mensen afweert. Het is een functionele karaktertrek, zodat zij afstand kan creëren.”


“Waarom koos je van meet af aan voor stand alone’s en niet voor een vast personage?”
“Omdat ik denk dat ik mijn spanningsboog daar het best in kwijt kan. Het is enerzijds moeilijker om steeds opnieuw te beginnen, langs de andere kant heb ik meer vrijheid. Ik kan met belangrijke personen doen wat ik wil, kan iemand laten sterven. Met een vast personage maak je het jezelf evenmin gemakkelijk, hoor. Je moet hem of haar opvolgen, voortdurend evalueren. Heeft hij kinderen, dan moeten die kinderen er niet zomaar zijn, maar ook een rol spelen. Hoe je het ook keert, alles heeft een voor- en een nadeel.


“Al jouw personages zijn blijkbaar eenzaten zonder relaties.”
“Goed dat er interviews bestaan en journalisten je laten nadenken over je werk. Ik denk inderdaad dat daar een constante in zit, maar dan eerder een voor het gebruiksgemak. Wanneer het verhaal het niet nodig heeft, voel ik niet de druk dat te brengen. Het gebrek aan relatie heeft enerzijds te maken met een spanningsboog, die je er altijd kan insteken, en weer uithalen wanneer het je uit komt. Partners voegen daarbij niet altijd iets toe aan een verhaal, ze lopen vaak in de weg. Dit gezegd zijnde: in het verhaal dat ik nu aan het schrijven ben, draait het wél rond een koppel.”

 

STILLE GROND
“Waarom koos je ervoor om het verhaal rond Eve te laten draaien, de derde zuster, en niet rond Ruby, de tweelingzus?”
“Dat verhaal is zo naar mij gekomen. Hoewel ik in de eerste plaats wilde beschrijven hoe iemand uit een gezin wordt weggerukt, wilde ik dat niet vanuit het standpunt van de andere tweelingzus vertellen. Ik wilde daarmee vooral niet in clichés over tweelingen vervallen. Bovendien had ik bij Eve meer ruimte om haar te laten evolueren: door haar zoektocht leert zij (als buitenstaander) veel bij over haar zusjes die ze nooit echt heeft kunnen leren kennen.”


“Het biechtboek van dominee Cunningham is de trigger van het verhaal. Ik las dat dit gebaseerd is op een waar gebeurd feit. Is het typisch voor een schrijver dat hij zo’n detail blijft onthouden?”
“Zeker. Ik noem dat een kiemidee. Ik wil daar iets mee doen. Mensen zeggen van alles luidop, bijvoorbeeld op de trein, maar vergeten dat er schrijvers bestaan. Wanneer ik naar het nieuws kijk, kranten lees, let ik vooral op de brede media, les petites histoires. Realiteit is vaak ongeloofwaardiger dan fictie.”


“Waarom speelt het verhaal zich af in Schotland?”
“Omwille van de setting. Het oorspronkelijke verhaal van dat biechtboek speelde zich af in Italië. Dat vond ik te zonnig voor zo’n feit, dus verplaatste ik het naar een wat guurder kader. Schotland, Ierland, iets met mist en zee.”


“In de eerste ontmoeting met Ruby blijkt de lege stoel naast haar zeer belangrijk. Het wordt zelfs een rode draad in het verhaal. Hoe zou je, als psychologe, de gemoedstoestand van Ruby omschrijven?”
“Catatonisch. Automatische ervaring, volledig in zichzelf gekeerd. Dat gebeurt vaak met kinderen, die jaren niet spreken, omdat ze iets hebben meegemaakt. Je leeft op automatische piloot, maar je hoort daarbij echt wel alles. Ik heb erover getwijfeld om dat letterlijk neer te schrijven, maar wilde in het boek niet te technisch overkomen om te beletten dat men zou denken: daar is de psychologe weer.”

“Met Carol Jones en haar dochter Zoë introduceer je ons bij de sekte van de Orde van het licht. Het is geen leuke sekte. Samengevat hebben ze één regel: ”Niets mag”. Behalve dan voor de leider. Heb je je gebaseerd op een bestaande sekte?”
“Het is geen bestaande sekte. Ze is gebaseerd op druïdisme, eenvoud en afzondering. Zij hebben geen godsdienstige beleving, maar aanbidden de natuur. Ik denk dat het de laatste jaren meer de kop opsteekt. Dat mensen het niet meer weten, op alles een antwoord zoeken. Druïdische culturen zijn overigens niet per sé sekten, dat gaat veel verder. Ik heb reportages gelezen, en op internet gecheckt. Er bestaan een aantal kenmerken voor men mag spreken van een sekte. Ik was tamelijk ver in mijn verhaal voor ik het nakeek, maar het klopte. Zoals de leider die inderdaad niet altijd beantwoordt aan de normen die hij anderen oplegt. Of het fysiek bedreigen van afvalligen.”


L1050 19“Je beweert dat er 2 soorten verdriet bestaan. Recent en oud verdriet. Dat laatste is het gevaarlijkst, het kan een mens uithollen. Van waar kwam die gedachte?”
“Iedereen herkent die situatie. Mensen die bijvoorbeeld een kind verloren, twintig, dertig jaar geleden. Op dat moment is het een gevecht tegen emoties, heel heftig allemaal. Soms gebeurt het dat die mensen daar na verloop van tijd niet meer over spreken. Zij willen er niet meer over horen. Maar het verdriet blijft aanwezig. Als die mensen dat niet op een goede manier kwijt kunnen, kunnen ze daar aan kapot gaan.”


“Vandaar ook dat de vader moet weten wat er met zijn Rosie gebeurde?”
“Je leest dat vaak. Ouders die niet weten wat er met hun kind gebeurde, of waar het is. Die onzekerheid is zoveel zwaarder om dragen. Je kunt slechts weten wat het met je doet als het je zelf hebt meegemaakt. Ik kan maar proberen dat gevoel, die onmacht te beschrijven.”


“Heb je je hierin laten leiden door de zaak van de verdwenen meisjes in België, of de zaak van Maddy?”
“Ik ben vertrokken van de zaak van het biechtboek. Daar ging het over een dertienjarig meisje. Ik heb dan inderdaad even gedacht naar Maddy, wat natuurlijk niet de enige lopende zaak is van die aard. Ik denk helaas dat dit een universeel verhaal is.”

L1050 32“Bij het zoeken naar foto’s van Rosie geeft Eve, als 3e zus wat opmerkingen over tweelingen. Zelf doe je dat ook in het nawoord. In hoeverre is fysieke onafscheidelijkheid een mythe?”
“In mijn ogen is het een mythe. Over de fysieke gelijkenis kan je bij kinderen nog twijfelen, maar direct betrokkenen, zoals de ouders, zien meteen wie wie is. Slechts zeer uitzonderlijk kunnen zich situaties voordoen waarbij verwarring mogelijk is. Ik weet dat het in de literatuur voor komt.”
“Maar het kan niet?”
“Ik denk het echt niet, hoewel een identiteitsverwisseling bij tweelingen wordt voorgesteld alsof het met de regelmaat van een klok gebeurt. Maar dan ga je voorbij aan de persoonlijkheid van iemand, alsof tweelingkinderen inwisselbaar zijn en alleen maar afkooksels van elkaar. Ze hebben wel degelijk eigen voorkeuren en maniertjes.”

“Dat de ene de gedachten van een ander afmaakt, of uitvoert zonder dialoog?”
“Ja, dat wel. Vooral dat een blik voldoende is om te weten wat de andere denkt. Je maakte dezelfde kindertijd door, had dezelfde ervaringen, dezelfde scholengemeenschap, dat maakt dat je bijna levenslang, of toch je hele jonge leven dezelfde indrukken deelde. Dat laat zijn invloed na.”


“Maak je minder ruzie als tweeling?”
“O neen. Het gaat zoals tussen andere broers en zussen, misschien minder, maar heftiger. Het vermindert met ouder worden, gelukkig.“


“Nog ééntje. Als je niet bij elkaar bent en de ene voelt pijn, voelt de andere dat ook?”
“Neen, dat is een mythe.”


“Wat was er intrigerend aan June en Jennifer Gibbons?”*
“Dat was een tweeling die helemaal op het verkeerde pad raakte. Zij communiceerden alleen met elkaar. Ze gebruikten oogsignalen, waarop de ouders geen vat hadden. Hanteerden een priegelig handschrift, dat alleen zij konden ontcijferen. Op school werden ze gepest, zodat ze nog meer op zichzelf terug vielen. Na therapie zou de ene zich voor de andere opofferen, zodat de overblijvende tot inkeer kon komen. Wat ook gebeurde. Het is een wonderlijk verhaal.”


“Hoe zit dat met het spiegelverhaal?”
“Op een dag was ik in een grote hal op zoek naar mijn zus. Iemand zei: ”daar is ze”. Ik draai me om en zwaaide naar haar. Het bleek dat ik naar mezelf stond te zwaaien in een spiegel. Dat heb ik altijd onthouden.”


“Ook hoofdstuk 38 is het relaas van zo’n tweeling-binnenpretje, vertel.”
“Het voorval was in realiteit anders. We waren nog kind en er gebeurde iets op de speelplaats. Een jongetje liep naar de leraar met de historische woorden: ”Een van die twee gelijken gaf mij een duw, maar ik weet niet welke.” Enerzijds is dat grappig, anderzijds is het ook confronterend dat je niet beschouwd wordt als een individu. Ik heb dat voorval na al die jaren onthouden en het in een andere vorm in mijn verhaal verwerkt.

“In Crimezone Leesclub krijg je voor dit boek 9,3 voor leesplezier en 8,2 voor psychologie. Wat doet je het meest plezier?”
“Ik ben met alles blij, want zodra ik een boek los laat, denk ik: oh neen. Veel recensenten vergeten hoe kwetsbaar een auteur is. Ik vind het zelf moeilijk om een oordeel te geven over een boek, laat staan sterren en punten. Het is bovendien zo subjectief en relatief."


“Vrij Nederland geeft je twee sterren met de vermeldingen: “teveel informatie, die de spanning weg neemt. Maar HVDM kan eigenlijk best leuk schrijven.”
“Of een boek als goed of slecht wordt omschreven, het blijft de mening van één persoon. Jammer dat zo’n quotering meteen overkomt als een stempel. Een gemiddelde mening van 100 personen zou representatiever zijn. Als ik recensies lees over mijn of over andere boeken, ga ik met sommige zaken akkoord, maar met sommige zaken ook helemaal niet. Cobra had het zo over het klassieke moeilijke 2e boek. Terwijl het wel mijn 43e boek was.”

“Zelf vind ik dat de kwaliteit van jouw derde thriller ten opzichte van de vorige twee er op vooruitgegaan is. Is er daartussen iets gebeurd dat de kwaliteit heeft beïnvloed?”
“Ik ben blij dat je het zegt, want dat vind ik zelf ook. Dit was de eerste keer dat ik mijn verhaal volledig kon uitplotten. Bij het eerste zat ik halfweg en dacht nooit aan het einde te geraken. Ik bezat die ervaring toen nog niet. Deze keer had ik van meet af aan het gevoel dat het goed ging komen. Het verhaal vertelde zich, ik moest er niet aan trekken, zat minder vast. Het blijven overigens dezelfde mensen die er aan meewerken. Zoals mijn man, die mijn eerste lezer is.”


“Hoe kom je bij Querido?”
“Gewoon de thrillermarkt afgezocht. Bij Q wilden ze me begeleiden, ook tijdens het schrijfproces en het klikte wederzijds bij de eerste kennismaking. Dat alles heeft de doorslag gegeven.”


“Doe je langer over een boek omdat je nu professioneel werkt?”
“Neen, ik schrijf van januari tot ongeveer eind september. Tijdens die periode doe ik mijn ander werk er bij als hoofdredactrice van de Vlaamse jongerenkrant Kits. Twee boeken per jaar, ik zou dat niet kunnen. Bij mij is het intensief en ik heb tijd nodig om het van me af te zetten.”


L1050 24“Wordt het dan bij Querido nagelezen, bijvoorbeeld voor de Vlamismen?”
“Daar wordt het inderdaad op nagelezen, eerst op inhoud, dan de taal, en nog een keer de taal. Als er een typisch Vlaamse uitdrukking in staat, dat gebeurt niet zo veel, wordt die wel weggeknipt of veranderd. Ze leggen het altijd eerst aan mij voor. Ik stuur eerst 60 bladzijden op, puur inhoudelijk. Ik wil op het einde liefst niet horen wat er fundamenteel moet veranderen om dat boek uit te geven.”

“Is er een cultuur voor literatuur in Vlaanderen? Wat gaat daar fout, wat kan beter?”
“Al wat over Vlaamse literatuur in de krant verschijnt, is al te vaak negatief. Waarom kan dat niet anders? Voor cultuur, zeker voor literatuur is hier veel te weinig steun. Waarom moet een recensent zijn kostbare ruimte in de krant gebruiken om iemand neer te sabelen in plaats van een ander boek aan te prijzen? Ook dat begrijp ik niet goed. Wij staan als schrijver onder druk, het boekwezen staat onder druk, maar van binnenuit blijft men genadeloze kritiek leveren. Waarom komen altijd dezelfde coryfeeën aan bod? Veel buitenlandse auteurs krijgen wel interviews van meerdere pagina’s. Vlaamse thrillerauteurs verdienen meer steun in de media, voor Vlaamse vrouwelijke thrillerauteurs is het bovendien extra moeilijk een forum te krijgen of genomineerd te raken. Maar als we samen aan dezelfde koord blijven trekken, zal er hopelijk ooit iets veranderen.

• Deze bijzondere tweeling moet je maar eens googelen.