Stan Lauryssens

Ik heb nog nooit een misdaadroman geschreven!

Deze rubriek blijkt heel wat deuren te openen. Toch alvast die van de fijne woning van Stan Lauryssens in Oudenaarde, op de rand van het Pajottenland. Stan is al heel zijn leven de minzaamheid zelve, maar zijn partner Mieke doet daar nog een streep bovenop. In een gesprek van vijf uur (!) is het ondoenbaar de voorbereide snedigheid van dit interview te bewaren. Over Stan valt heel wat te vertellen, op voorwaarde dat je hem niet de touwtjes aanreikt van het gesprek, want voor je het weet zit je op een roetsjbaan van anekdotes en straffe verhalen. Stan is het immers gewoon dat de mensen aan zijn lippen hangen. Gepokt en gemazeld, de radde verkoper die hij ooit was, waarmee hij – jammer genoeg, vindt hij nu zelf - vele slachtoffers maakte.

Stan heeft geboet, we hebben het er straks over. Vooruitkijkend lijkt het me echter vreemd dat het zoetgevooisde klatergoud van zijn eerste carrière zo schril afsteekt tegenover het harde, rauwe wereldje uit zijn romans.

Voor we de schrijver Stan kunnen spreken moeten we langs de mens Stan. Wie is deze extreem extraverte man? Waar ligt zijn introverte kantje? Ik bedacht enkele snedige vragen en met het vaste voornemen me niet in de doeken te laten doen, tel ik alvast mijn vingers aan elke hand, voor ik over de drempel stap.

“Stan, dat je een van de populairste misdaadschrijvers van Vlaanderen bent, heeft veel te maken met hoe jij jezelf in de markt aanprijst. Op je lezingen gaat het over jezelf. Op je website is de inhoud van je boeken ondergeschikt aan je biografie. Het lijkt alsof je jezelf als misdaadschrijver niet ernstig neemt?”

“Dat is zo, ik verkoop mezelf als product. Mag dat? Boeken hoef ik niet te verkopen, dat doet de boekhandel. In het brede veld van de literatuur is er plaats voor literaire clowns, op voorwaarde dat ze intelligent zijn. Als schrijver doe ik een Jan Cremertje: ik zet de zotskap op en heb daar geen probleem mee. Wie leest overigens thrillers? Niet die ene professor van Gent of Nijmegen, wel bakkers en slagers van om de hoek. Men zegt dat Stan Lauryssens een misdaadauteur is, maar dat is pertinent niet waar. Kijk, dit zijn mijn misdaadboeken, allemaal zelf geschreven (wijst één boekenplankje aan), en dit de rest, allemaal non-fictie, ook zelf geschreven.” (drie maal zoveel, veel vertalingen, Japans, Chinees, Russisch... Ik neem een Servisch exemplaar, geschreven door Sten Lorisens)

“Fonetisch, nietwaar, naar analogie met de Engelstalige uitspraak. Ik zag het pas wanneer het gedrukt was. Toch leuk? Zo worden boeken uitgeven in Oost-Europa. Ieder land zijn cultuur. In Tsjechië - zelfs in een stad als Praag - vind je nauwelijks boekwinkels. Tsjechen kopen boeken via internet.”

“Het is blijkbaar gemakkelijker voor een Vlaams auteur in Oost-Europa te worden uitgegeven dan in Nederland?”

“Ligt aan de tijdsgeest. Niet alleen het literaire domein verschrompelt, de hele cultuur gaat eraan. Pats, boem, plat op z’n gat. Vroeger bestond een fysieke grens tussen Nederland en België mét douanepost. Papieren, bitte! Cultuur zweefde daarover. Toen ik 18 jaar was, las Vlaanderen de wekelijkse Elsevier, Haagse Post, Vrij Nederland, juist? We keken naar de Nederlandse televisie: Rudy Carrell, Mies Bouwman, Dorus in zwart-wit met zijn grappige liedjes. Wie kent dat nog, wie doet dat nog?”

L952 02“We stellen dat wel vast, maar zal het veranderen?”

“Jong, ’t wordt alsmaar slechter. Ten tijde van mijn eerste boek was ik Belgisch of Vlaams correspondent voor De Nieuwe Linie en TROS-Radio. Mijn latere uitgever, Weverbergh, was correspondent voor Vrij Nederland. Ik schreef erotische stukjes in MACH. Twee dagen per maand verbleef ik in Amsterdam. Die overlapping van Vlaamse en Nederlandse cultuur bestaat niet meer. Nu zijn het aparte werelden. Eigenlijk is jouw interviewreeks voor Crimezone uniek, je moet daar een boek van maken.”

“Wordt aan gewerkt. Op je 18e stond je in een kaasfabriek gaten te maken in fake Emmentaler kaas. Voor het weekblad Panorama schreef je fantasierijke interviews met Hollywoodvedetten, alsof je bij hen op schoot zat. Zou het kunnen dat je levensloop een gevolg was van die omstandigheden?"

“De wereld hangt aaneen van bedrog. Neem nu die kaasfabriek. Ik kreeg een stofjas en een paar warme wanten en mocht naar de koelkelder. Daar wachtten ettelijke grote kaaswielen: Emmentaler, uit Finland. Zag er uit als Emmentaler, rook als Emmentaler, had de juiste kleur maar zonder gaten in de kaas kopen klanten geen Emmentaler. Met zo’n holle metalen buis schroefde ik stukken uit de kaas waarna ik in mijn wanten spuwde en een handvol speeksel over de korst wreef. (Stan doet alle handelingen plastisch voor). Speeksel schimmelt niet. Na drie maanden koelkast zag je het verschil niet.”

“Zou dat nog bestaan?”

“Het zou me niet verbazen. Als je leest welke zwendel met wijn gebeurt? Of met Griekse Feta uit Denemarken. Italiaanse Parmaham uit West-Vlaanderen? In Spanje kocht ik Franse Brie uit Duitsland. Bestaat authenticiteit? (haalt schouders, handen en wenkbrauwen op.) Mijn vriend op de milieudienst in Brugge vertelt mij dat huisgemaakte Brugse chocolade in werkelijkheid fabriekschocolade uit China is. Toppunt van waanzin: Brugge wordt overspoeld door Chinese toeristen die Chinese fabriekschocolade kopen en meenemen naar China. Niets is wat het lijkt, mensen willen bedrogen worden.

Nadien werkte ik voor de krant, eerst als avondmedewerker, daarna als verantwoordelijke voor de cultuurpagina. Heel wat Vlaamse en Nederlandse literatoren werkten mee: Hugo Raes, Hubert Lampo, Jeroen Brouwers. Het was mijn job hen regelmatig een stukje te ontfutselen. Vroeg ik een tekst van 300 woorden, gaf Jeroen Brouwers mij 30 000 woorden, een half boek. Hoeveel literaire parels op die manier verloren gingen, ik durf er niet aan te denken. Jeroen Brouwers vertelde later aan zijn biograaf: “Ik schreef meesterwerkjes voor De Nieuwe Gazet maar een kloot op de krant maakte er niemendalletjes van op postzegelformaat.”

L952 14“Hoe kwam je bij de krant?”

“Ik declameerde gedichten in kroegen, droeg een fluwelen kostuum, grote vlinderstrik en maakte weidse gebaren. Zekere avond maak ik kennis met Piet Teigeler, aan de toog van mijn stamcafé. Hij zocht een nieuwe avondmedewerker. De volgende dag stond ik bij de hoofdredacteur en de directeur van de krant, Frans Grootjans, later minister van staat.

Wie gaten in kaas kan verkopen, kan alles verkopen, zei die. Aan adelbrieven werd in die tijd niet zo gedaan.”

“Hoe werd je Hollywoodreporter?”

In 1973 werkte ik voor het weekblad Panorama dat toen getekende covers van Norman Rockwell kocht van The Saturday Evening Post. We zetten vanaf nu filmsterren op de cover, Stan, zei hoofdredacteur Louis Van Raak: Marlon Brando, de jonge Al Pacino. Faye Dunaway, de groten: quoi. We doen ook interviews met die gasten. Let op, nu is dat normaal, toen bestond dat niet. We leefden in een conservatieve maatschappij, zonder internet. Voor interviews moest je zwaar betalen. De hoofdredactie van Panorama wilde me écht naar Hollywood sturen. Reis, verblijf, vaste kosten, het was niet haalbaar. E-mail bestond niet, artikels werden per brief gestuurd. Slotsom: ik werd verbannen naar een zolderkamertje met een schrijfmachine, een pot lijm en een stapel Europese glossybladen, genre Paris-Match. Ik abonneerde me op Entertainment Weekly en Hollywood Reporter.

“Dus al die fantastische interviews waren nep?”
(Stan haalt de schouders op. Het ligt achter hem, hij zit er niet mee) “Ik herhaal: niets is wat het lijkt en mensen willen bedrogen worden. Tegenwoordig pikt iedereen van internet, citeert citeren dezelfde bronnen. De lezer beseft dat niet, omdat hij maar één krant of weekblad leest. Vroeger had elke krant, elk weekblad een smoel. Ik was enkele jaren de smoel van Panorama. Nooit hadden mijn artikels meer succes dan toen. (beweegt vier vingers in de lucht) “Van onze reporter in Hollywood, Steven Stanley”. Dat was mijn pseudoniem, ik leerde immers vlug dat ik niet tegelijk in café De Muze in Antwerpen kon zijn en Elizabeth Taylor in Hollywood interviewen. Nu ik erover nadenk, stom van mij dat ik die schuilnaam niet voor mijn thrillers gebruikte. Zeg nu zelf, Black Snow door Steven Stanley?”

“Hoe kwam je bij Salvador Dali terecht?”

“Ik botste tegen mijn natuurlijke grenzen. Na twee jaar Panorama, meer dan 100 covers, meer dan 100 interviews, was ik uitgepraat, hé. Begin jaren zeventig waren er niet zoveel beroemde filmsterren. Ik probeerde een fake interview met Picasso, een kunstenaar met de faam van een filmster. Verkocht niet. Ik verzon een verhaal over Salvador Dali die met Walt Disney zou samenwerken om de grootste pornotekenfilm aller tijden te maken. Verkocht mondjesmaat... maar Dali zou andere deuren openen.”

“Dat leg je uit in je boek Dali & Ik ...”

“Wacht, laat mij dat vertellen. Ik krijg telefoon van “de President”. Hij vraagt naar Steven Stanley en stelt me voor CEO te worden van de kunstafdeling van de Antwerpse beleggingsmaatschappij IIC, met kantoren in heel Europa. Een ongelooflijk voorstel, ik was als Dagobert Duck: in één keer kon ik een zwembad vol geld verdienen. Ik was plots directeur. Van een kunstafdeling. En ik kende niks van kunst. Ik zei dat tegen mijn president. Ja maar, antwoordde die, je kent Salvador Dali, je hebt hem geïnterviewd, in Hollywood. Zo’n interview.” (imiteert de duim-in-de-hoogte van de president. Zucht.)

“Zo rol je er in. Ik verkocht kunst aan Vlaamse en Nederlandse middenstanders, in ruil voor hun zwarte geld. Ik kocht bijvoorbeeld een gedrukte litho van Salvador Dalí van 25 euro, stak er een schilderijlijst van 600 euro omheen en verkocht het boeltje voor 10 000 euro. Tel uit je winst! Vandaag controleer je alles via Google, maar toen kenden mensen het verschil niet tussen een origineel schilderij en een gedrukte litho.

L952 06Op een dag vergezelde ik de meest gereputeerde verkoper van IIC, iemand met tv-bekendheid. Toen we bij die mensen kwamen, zaten de buren en vrienden daar ook. Ah ja, want er was een beroemdheid op komst. Het sfeertje van een Tupperware-party. Het ging toen een uurtje of zo over investeringen, dan zong mijn maat zijn bekende liedje, iedereen tevreden. Het zwart geld namen we mee in broodzakken, contant, zonder tellen. We wisten immers hoeveel er precies in één broodzak kon.

“Maar de kruik gaat zo lang te water ...?”

“Juist. Ik voelde natuurlijk nattigheid. Op een dag krijg ik telefoon van de onderzoeksrechter, de officier van Justitie, die van intimidatie een spelletje maakt. Hij vraagt me uit, over mijn klanten, hun geld. Hij laat me drie keer komen. Dezelfde vragen, maar dieper. De week daarna: huisbezoek. Kan dat zo maar? Alles kan, zegt hij, ik ben onderzoeksrechter. Het toppunt was de inval bij IIC. Toen hadden ze wél een mandaat. Werden we allemaal geboeid afgevoerd. Die eerste uren na een arrestatie zijn een verschrikking. Je belandt in een wachtcel, waar iedereen vertoeft die die dag wordt aangehouden. Je hebt er geen brits, geen wc, geen eten, enkel een putje in een hoek waar iedereen zijn behoeften doet. Om de zoveel uren word je opgehaald voor ondervraging. Pas in het laatste uur van je arrestatie, het 23e uur, verschijn je voor de onderzoeksrechter die je doorverwijst naar de gevangenis. Als je in een echte cel belandt, is dat een verademing. Dan krijg je rust, eten, je moet douchen. Vervolgens: ga eens tegen de muur staan. (allé, buk-ken, buk-ken, buk-ken, whàm! “ (Doet alles zeer beeldrijk voor)

“Je werd vrijgelaten, vluchtte naar Spanje, ging samenwonen met een Spaanse vriendin, die zwanger werd van je eerste zoon, Lluis. Was dit het einde van de schurk Stan?”

“Schurk? Welke schurk? Als je gewoon bent alle dagen taart te eten, ben je kwaad als je plots droog brood moet eten. Je blijft hunkeren naar taart. Ik had jaren nodig om erover te geraken. De IIC-zwendel kwam trouwens nooit voor de rechtbank. Maar ik bleef ik, met m’n goede en slechte kanten. Zeker moment bezoek ik in Barcelona het Picassomuseum. Na de middag staat daar een rij, 400 man, het is de tijd van de siësta. Twintig meter verder staat een pand te huur. Prachtig pand, binnenkoer, palmbomen, een open gaanderij. Voor een spotprijs. Twee dagen later was dat van mij. Ik zette glazen wanden in de Romaanse bogen van de gaanderij, doopte de winkel Boutique Picasso, opposite the Picasso Museum. Alleen was “opposite” zeer klein gedrukt. Ik schreef naar alle beroemde musea ter wereld, Alle dagen kreeg ik postkaarten en posters van over de hele wereld, in kartonnen kokers: gratis. Ik breidde het gamma uit met T-shirts van Picasso, zonder één peseta rechten te betalen. Het liep storm, vanaf de eerste dag. Toeristen meenden dat mijn winkel deel uitmaakte van het museum, dat elke dag zo vriendelijk was twee uren de deuren te sluiten.”

“Waarom bleef dat niet duren?”

“Hoogheidwaanzin. Ik kon alles, als ik het wilde. Ik ontmoette de mooiste vrouw die ik ooit in mijn leven zag, op de Ramblas in Barcelona: een bloedmooie Indiase uit Goa, het paradijs van de hippies. Ik volgde haar naar Londen, wij woonden zeven jaar samen.

“Je vertelt dat verhaal in Alle dagen curry en seks op zondag. Hoe mooier een vrouw van buiten, hoe lelijker van binnen, beweer je. Maak jij nog veel vriendinnen tegenwoordig?“

“Natuurlijk. Een echte vrouw wil geen pantoffelheld in bed, een boefje is de ideale minnaar. Weet je wat het probleem is? Een bloedmooie vrouw is haar hele leven gewoon dat alles rond haar draait, ze haar zin krijgt, bejubeld en bewierookt wordt. Het moeten sterke schouders zijn om zoveel weelde te dragen. Helaas zijn het meestal krengen van wijven.”

“Van je boek Dali & ik: het ware verhaal bestaan 33 vertaalde versies. Hollywood staat klaar met een film, met Al Pacino in de hoofdrol. Heb je al een kostuum voor de L952 17première?”

(Schudt treurig het hoofd) “Op dit moment wordt beslist of het contract wordt verlengd. Ik zie het somber in. Het duurt te lang. Dat is Hollywood: de schrijver van het verhaal is gewoon een marionet aan de touwtjes van de geldschieters.”

“Je trok naar Zuid-Amerika voor een interview met Wim Sassen, een Nederlandse SS’er, bevriend met Adolf Eichmann, de beruchtste oorlogsmisdadiger. Zat aan de keukentafel van gevluchte Duitsers, amuseerde hun kinderen en schreef een aantal boeken, zoals de biografie van Arthur Moeller Van den Bruck, inspirator van het Nazisme. Wat is daar van waar?”

“Alles. Er was trouwens een fotograaf bij.” (haalt een farde met knipsels)

“Kijk, ik heb alles bij de hand, omdat ik mijn memoires aan het schrijven ben: Manaus, een weekje in de groene hel. Zwarte pirana’s, op krokodillenjacht ’s nachts. Arno Breker, de beeldhouwer van Hitler. Sir Oswald Mosley, leider van de Nazi-zwarthemden in Engeland. Werd in 1942 in Engeland opgepakt. Hier, dit ben ik met hem en zijn vrouw aan tafel. Toen zij huwden, was Hitler hun getuige. Hier zit ik aan tafel met Otto Günsche: de man die de wacht hield voor de bunker van Hitler. Hij droeg de lijken van Hitler en Eva Braun naar buiten, verbrandde ze en bracht de Hitlergroet. Kreeg er 10 jaar dwangarbeid voor.”

“Het leven van Stan Lauryssens was absoluut niet saai. Is het daarom dat de plots uit je thrillers larger than life zijn? Dat je dialogen schrijft waar je zo tekstballonnetjes kunt bij denken”?

“Ik heb nog nooit een misdaadroman geschreven, Raymond. Ik kan dat niet, ik weet niet hoe dat moet. Ik zweer het, ik las nooit een Vlaamse of Nederlandse thriller. Bob Mendes, Aspe, Deflo: nooit gelezen. Ik heb wel wat beters te doen. Mijn eigen thrillers zijn verkapte biografieën. Ik heb geen fantasie. Ik ken maar één leven, mijn eigen leven. k haal het beste in mijzelf naar boven en stop het in de commissaris. Het slechtste van mezelf hou ik voor de misdadigers. De slotsom is even ingenieus als verhelderend: ik zit in elk personage. Neem nu dat Lacoste-shirt waarvan de commissaris het krokodilletje wegsnijdt, omdat het zijn tepel irriteert. Wel, dat ben ik, want ik draag Lacoste maar nooit ondergoed en dan is dat beestje inderdaad irritant en knip ik het gewoon weg.”

“Jouw eerste thriller stuurde je naar Manteau. Twee dagen later kreeg je telefoon: kom maar, het contract ligt klaar. Welk gat in de markt had jij gevonden?”

“Ik was geen nobele onbekende. Een boefje bovendien, dat verkoopt. Ik had een paar non-fictieboeken die de top 10 haalden, zowel bij Van Halewyck als Manteau. Iemand dacht aan mij voor een stoute thriller. Ik schreef Zwarte sneeuw op drie, vier weken, verkocht 46 000 exemplaren, won de Hercule Poirotprijs.”

“Jouw schrijfstijl doet geloven dat je in één ruk doorschrijft, weinig structureert en vooral veel effect wil sorteren. Of lijkt het maar zo?”

“Neen, dat is zo. Zoals De Sade zijn erotische hersenspinsels en Jack Kerouac zijn beroemde On the Road: één eindeloos lange rol papier, van onder tot boven vol letters en woorden. Ik lees nooit Vlaamse of Nederlandse thrillers. geef er mijn geld niet aan uit. De meeste Vlaamse en Nederlandse thrillerschrijvers zijn trouwens hobbyschrijvers, voormalige jeugdschrijvers of redactrices van Libelle of Magriet. Wat zou ik me daar druk om maken? Wat voor zin heeft het maanden op je kont te zitten als je slechts een paar honderd exemplaren van je boek verkoopt?”

L952 49“Laat me toe daar oneens over te zijn. Wellicht was dat zo tien jaar geleden, toen iedereen met het Geeraerts-syndroom worstelde (vaste verhaalstructuur met overvloed aan details). Vlaamse thrillers boomen tegenwoordig qua kwaliteit en ik vind het spijtig dat de markt daarin niet lijkt te volgen.”

“Mensen lezen minder thrillers dan pakweg tien jaar geleden. Je kan het zo spannend, afschuwelijk of gruwelijk niet bedenken of je vindt het op Facebook. Ik geef een voorbeeld: vermiste kinderen. De ouder van een vermist kind zoekt heel de tijd op internet, tot het verslavende toe. Tikt honderdmaal de naam in de zoekbalk van Google. Ik herken dat, deel dezelfde trauma’s: ik zoek tevergeefs naar mijn zoon in Engeland die ik laatst heb gezien toen hij vijf jaar was. Hij is er nu 21. Leeft hij nog?”

“Merkwaardig vond ik dat beeld in het huis van je moeder waarbij je vader telkens uit elke foto was weggeknipt. Zo herkenbaar voor wie is grootgebracht door gescheiden ouders.”

“Natuurlijk klopt dat. Zo’n foto van een schietkraam op de Sinksenfoor. Mijn vader had het geweer vast, schoot pal in de roos, maar zijn kop zat er niet meer op. Weggeknipt door mijn moeder na de echtscheiding. Fantastisch dramatisch element in een misdaadverhaal. In het echte leven is zoiets natuurlijk een drama, zowel voor moeder en kind, als voor de weggeknipte vader. ”

“Je literaire voorbeelden zijn Georges Simenon en Ed McBain. Van die eerste benader je zijn vrouwenhonger, van die tweede de visuele bevlogenheid. Waar of niet waar?”

“Wat is waar, Raymond? Simenon ging naar eigen zeggen met 10 000 vrouwen naar bed. Ik kom niet in de buurt. Kreeg Simenon ooit de Nobelprijs voor Literatuur? Nee, zo’n prijs geven ze liever aan een dichter met levervlekken. Ed McBain was een van de groten van de Amerikaanse thrillerwereld. Niemand kon zo accuraat als hij politieprocedures beschrijven. Ik kocht al z’n pockets, eerst in het Nederlands, dan in het Spaans, daarna Engels, overal waar ik een nieuw leven begon. Maar Ed McBain is dood en z’n boeken vind je nog nauwelijks. Simenon lees ik voor sfeer en voor de psychologie van zijn personages. Politieprocedure bestaat niet bij Simenon. Commissaris Maigret ontlokt op vaderlijke manier de grofste bekentenissen door samen met de verdachte een biertje te drinken. Flauweku,l maar goed geschreven flauwekul. In het echte leven mept zo’n commissaris een telefoonboek tegen je kop,”

“Ken je het boek The New Republic van Lionel Shriver? Gaat over een journalist die naar een fictief land ten zuiden van Portugal reist, waar de plaatselijke terreurgroep verantwoordelijk zou zijn voor alle grote terroristische acties in de wereld. Eenmaal daar ontdekt hij dat zijn voorganger alles heeft verzonnen en die terroristische reputatie een fabel blijkt. Dat boek zou jij toch kunnen schrijven?”

“Prachtig verhaal, heel herkenbaar. Het is zo gemakkelijk mensen te bedriegen en je overal binnen te praten. In opdracht van Panorama was ik tafelschuimer en zat aan een banket naast de toenmalige kardinaal Suenens op het bisschoppelijk paleis in Mechelen. Bij de NATO naast secretaris-generaal Luns. Grappige man, drankorgel eersteklas, tapte aangebrande moppen. Voor wie eraan mocht twijfelen: de foto’s werden gepubliceerd in Panorama.”

“Jouw commissaris Thielemans uit je laatste drie boeken is terminaal ziek. Je engageert je voor cadeauboekjes over bier van Grimbergen en schrijft amuses zoals De Lachende eland. Jouw memoires komen er aan. Begint de drang naar schrijven uit jou te sijpelen?”

“Ja. Hoewel... ik zal blijven schrijven. In oktober verschrijnt mijn docu-drama over Julien Schoenaerts die wordt beschouwd als de grootste acteur in Vlaanderen. In werkelijkheid was Schoenaerts arrogant, geschift, knettergek en bipolair. Ik schrijf mijn memoires. Mijn uitgever vraagt een dik boek, 600 bladzijden op zijn minst. Geen probleem. Tegelijk vraag ik mij af: wie koopt een boek van een oude schrijver als ik? Onlangs was ik op de boekenbeurs met Jef Geeraerts, op weg naar de bovenzaal voor een gesprek, al die trappen op. Jef trok aan mijn jas, hij kon niet volgen. Ik hoop dat het mij niet zal gebeuren.”

(Hij lacht bij de gedachte)

“Jef Geeraerts en ik werden goede vrienden, nadat ik hem in ’69 interviewde, hij had net de Staatsprijs gekregen voor Gangreen. Wij noemden Jef in die tijd Porno Jefke omdat hij ook porno schreef onder schuilnaam. Toen hij op de boekenbeurs signeerde, hield hij kopers zo lang aan de praat tot de rij weer was aangevuld. Pas dan maakte hij een eind aan het gesprek. Eigenlijk heb ik alles geleerd van Jef, hoe je boeken verkoopt, hoe je paard rijdt, frietjes bakt, hoe je porno schrijft.”

Vossen onder elkaar.

Ik heb trouwens al mijn vingers nog.