Luc Deflo

(Dit interview uit 2016 wordt opnieuw - verkort - gepubliceerd naar aanleiding van de dood van Luc.)

Enkele decennia geleden kreeg ik mijn eerste Deflo-boek in handen, zijn debuut Naakte zielen. Ik schrok van de harde, bloedige scènes, niet normaal in Vlaanderen. Ik nam voortaan, gemakzuchtig, de dooddoener aan, dat je een Deflo-boek beter bij de hoek beetneemt, zodat het bloed er onderaan kan uitdruipen.

Ik hield van die plastische vergelijking, maar heb ze moeten bijstellen. Luc Deflo werd immers een vaste waarde op de Vlaamse thrillermarkt. Keer op keer bewijst hij een goede observator te zijn van de donkere kanten van de maatschappij. Hij dringt de lezer in de ongemakkelijke positie van een waarnemer die last heeft met zijn geweten. 35 boeken in geen 19 jaar, dat tikt aan. Alleen Pieter Aspe, vijf jaar eerder begonnen, troeft hem nog af.

In dit interview onthult hij hoe hij de lezer bij het nekvel grabbelt en hem willens nillens op een rollercoaster plaatst van actie en geweld. Naakte zielen was een harde binnenkomer, geeft Deflo toe, maar hij weigert absoluut het label van horrorschrijver.

Terwijl de poes Tuschki pontificaal flaneert in haar koninkrijk, praten wij in de keuken over racisme en verderf, fatwa en Belarabia, over lijken en schrijven. Blijkt dat we meer gemeen hadden dan we dachten.

INTIFADA

“Aan racisme zitten vele facetten, blijkt uit je boek Intifada. De man in de straat gaat er anders mee om dan een politieagent, of, zoals in je boek, een doorgedraaide burger die meent goed werk te verrichten door Marokkanen te decimeren.”

“Mensen zijn vandaag bang voor aanslagen, maar in dat boek worden de rollen omgedraaid. De moordenaar in Intifada neemt het recht in eigen handen. Dat is mijn uitgangspunt. Ik woonde vroeger in Mechelen, in een wijk die stilaan verpauperde tot een Arabisch getto. Wel, mijn hoofdpersonage woont daar nog, is getrouwd met een Marokkaanse, die hij adoreert, dus dat vormt niet echt een probleem.  Mijn personage loopt altijd met een grote boog rond problemen, tot die fatale avond. Hij heeft wat gedronken, laat zijn guard zakken, wordt koud gepakt, reageert uit vermeend lijfsbehoud. Dat bezorgt hem een trauma. Hij wil geen hulp zoeken, denkt dat hij dat zelf aan kan. Het zijn vooral die jonge gasten op straat waar de politie niets tegen doet, waar ouderen geen invloed op hebben, waar hij tegen op komt. Dit moet stoppen, zegt hij, en hij gaat dat doen. Ik vermoed dat veel mensen zich met zo iemand kunnen vereenzelvigen, al was het maar voor een stuk. Uiteindelijk slaat hij door en neemt het recht in eigen handen. Hij wordt genoemd in alle kranten, men is bang voor hem. Dat bezorgt hem een ongelooflijke kick, waarna hij eisen begint te stellen. Ik meen dat dit een aanvaardbaar scenario is.”

                            

De auteur vereenzelvigt zich op geen enkele wijze met de handelingen of zienswijzen van eender welk personage in dit boek. Sinds wanneer staat die clausule in je boeken?”

“Sinds Intifada. Ik krijg daar veel reacties op. Dat was de bedoeling. De zienswijze van mijn personage is zo extreem dat ik met zo’n vermelding een fatwa of iets dergelijks wilde voorkomen. “

“Een fatwa zorgt nochtans voor mondiale bekendheid. Vraag maar aan Salman Rushdie.”

“Ja, in ruil voor tien jaar huisarrest. Ik bedank daar feestelijk voor. Ik ben niet wat ik schrijf, dat spreekt voor zich. Kijk, ik woon in Brussel. Ik ben in deze straat de enige Vlaming. Mijn vrouw is een Zuid-Amerikaanse. Mijn beste vriend is de moslim hierover, eigenaar van de nachtwinkel.”

“Je deed onderzoek naar seriemoordenaars, hun geschiedenis en modus operandi. Hoe diep zat je in die shit?”

“De maatschappij zit vol psychopaten en sociopaten. Iedereen heeft wel een collega sociopaat. Ikke, ikke en de rest kan stikke. Zo’n man bij de bakker, die nog rap dat stapje rapper zet om voor jou binnen te geraken? Dat zijn psychopathische trekjes, die gelukkig nooit aanleiding geven tot moorden. Het boeit mij, ik wil proberen te begrijpen hoe denkpatronen bij een seriemoordenaar werken. Hoe je zo hyper-egoïstisch kunt zijn. Seriemoordenaars zijn supersterren in de Verenigde Staten. Kijk naar Dutroux, hier te lande, die krijgt liefdesbrieven, hé? Dat spreekt sommige mensen aan. Als literatuur het aftasten is van grenzen, dan is dat wat ik doe.”

“Op zeker moment maakt Jansseune, in feite een gewoon burgermannetje, mayonaise. Het kloppen van de mayonaise wordt de metafoor in zijn hoofd voor het doodkloppen van zijn slachtoffer. Probeer je hier een logica te ontdekken in de gedachtegang van een moordenaar?”

“Tuurlijk. Voor mij is de moordenaar het belangrijkste personage. Ik probeer de lezer voor een stuk in het hoofd van de moordenaar te droppen. Dat is wat ik het liefste doe, veel liever dan een typische whodunit. Dat vind ik geen interessant genre. Voor mij is de moordenaar het belangrijkste personage. In een whodunit moet je die verstoppen. Je kunt daar psychologisch niets mee doen, want dan geef je alles weg.”

“Een moordserie met racistische kenmerken, en plots staat de maatschappij op zijn kop. Iedereen stelt zich vragen. De politie wordt in vraag gesteld, zelfs de hele sociale structuur, want Belarabia loert om de hoek. Welke maatschappelijke revolutie suggereer je?”

“Een bedreiging is dit zeker. Die Iman in het verhaal maakt gebruik van de situatie om die jongeren in zijn gedachtengoed mee te trekken. Zo zijn er, ik moet er geen tekening bij maken, die dromen van Belarabia.”

“Is dat een aanvaarde term?”

“Die term heb ik op tv gehoord, in een interview. Waarop de geïnterviewde kalm aan de journalist uitlegde dat die zich geen zorgen hoefde te maken. Over een paar jaar zouden we allemaal in Belarabia leven, allemaal moslim zijn, gewoon vanwege de macht van het getal. Ik vond dat confronterende televisie. Ben ik daarmee een racist? Nee, realist. Als je zo’n ideeën hoort verkondigen, wordt het begrijpelijk dat iemand een lont in een kruitvat durft te steken. Extremisme zou niet toegelaten mogen zijn, geen enkel extremisme. Ik noteer dat. Ik neem daarmee geen politieke standpunten in. Ik ben een thrillerschrijver en gebruik dat klimaat als achtergrond. Ik wil mijn lezers een paar uur ontspanning bezorgen.”

DE ROLLERCOASTER VAN DEFLO

 “Een vloerplank kraakte. Dezelfde. Altijd dezelfde, maar nu was het anders. Lichter, levendiger. Blijer. Hij staarde naar haar slanke rug. De wespentaille. - Dit is maar een voorbeeld van je sfeer brengende schrijfstijl. Het lijkt of je in één ruk schrijft, zoals je je dat voor je ogen ziet afspelen.“

“Dat is ook zo. Men zegt vaak dat schrijven gelijk staat met schrappen. Wel, ik heb nog nooit een hoofdstuk geschrapt. Ik ben een ziekelijke workaholic, moet elke dag vijf bladzijden op papier hebben of ik ben ongelukkig. Thuis zit ik meestal in de tuin. Dan komt het vaak vanzelf. Ik begin elke dag met het bewerken van wat ik de vorige dag schreef. Eenmaal in trance, ben ik niet meer te stoppen. De dialogen vliegen er zo uit. Ik wil dat het vooruit gaat. Ik probeer die hanenpoten dan de volgende ochtend te ontcijferen.”

“Dus geen blinde vlekken bij jou, knelpunten, keerpunten enzoverder?”

“Ik heb scenariowerk gedaan en kan besluiten: dikke bullshit. Je hebt gewoon goede en slechte verhalen. Ik houd niet van regeltjes. Ik volgde ooit een cursus dramaturgie en bezit alle boeken van alle scriptdokters, maar je mag die nooit te rigide volgen. Want dan beperk je jezelf te veel.”

“Het zit van binnen?’

“Ik voel aan de opbouw van mijn hoofdstukken of het verhaal goed zit. Dat moet niet precies meetkundig op een derde van het verhaal zitten. Vroeger gebeurde dat heel organisch. Ik had een idee en een thema, een paar mijlpalen en roef, we waren weg. Totdat een collega zei dat hij een organigram nodig had om de personages uit elkaar te houden. Dat is dus niet goed. Sindsdien doe ik het omgekeerde. Ik deel alles in hoofdstukken. Daar plaats ik details in: wie, wat, waar enzovoort. Kan onderweg veranderen, maar de plot zal niet meer ontsporen. Jef Geeraerts schreef zo. Die werkte met steekkaarten, waarna hij de plot op drie weken af had.”

“Actie gaat voor karakter?”

“ Ik wil geen personages creëren die er niet toe doen. De plot moet niet zo ingewikkeld zijn dat alleen ik die nog begrijp. Keep it simple. Lezers moeten spanning voelen en de diepte van de personages kunnen peilen. Ik laat ze wél balanceren op een slappe koord, zo van: ik wil ook wel eens doen wat die moordenaar doet, maar fuck, het mag niet.  De personages doen wat ze doen en ik ben God de Vader niet. Ik zal nooit moraliseren.“

“Tempo als zaligmakend ingrediënt?”

“Alles moet bij mij wijken voor de spanning. Ik probeer eenvoudige taal te hanteren. Als je twee woorden in een zin brengt die een lezer niet snapt krijg je vele reacties, maar meestal geen goede. De grootste fout is dat een schrijver wil uitpakken met zijn vocabularium. Daarmee haal je je lezer uit het verhaal. Het grootste plezier heb ik wanneer iemand te laat is gaan slapen vanwege mijn boek.” (Luc is op dreef, neemt het interview over)

“Ik kan ook slecht naar een film kijken; zit me voortdurend af te vragen waarom scènes wel of niet werken. Dat doe ik ook bij theater. Daar heb ik spijtig genoeg geen tijd meer voor. Ik speelde veel toneel, deed dat graag. Zo is het schrijven feitelijk begonnen. Ik vergeet nooit die dag dat ik als toneelschrijver in de zaal zat en een dame naast mij al haar lichaamssappen heeft laten vloeien. Die zat daar te snotteren, bleiten, lachen, tot de stoel daverde. Ik heb niet naar dat stuk gekeken, maar van haar genoten. Die kreeg natuurlijk de verrassing van haar leven toen ze mij, na het stuk, op het podium riepen. Dat is zalig. Dat heb je nooit met een boek.”

 “Kortom, het is je meer te doen om thema en boodschap dan om de plot. Verbluffende onderzoeksdaden doen Deleu en Mendonck immers niet?”

“Ik weet perfect hoe een politieonderzoek wordt gevoerd. Ik ga het echter niet allemaal gebruiken, want dan wordt het langdradig. Indien vingerafdrukken of DNA-onderzoek functioneel belangrijk zijn, zal ik dat behandelen. Maar als routine sla ik dat over. Anders heb je bijna een non-fictieboek over politieonderzoek. “

“Ik hoor in mijn Mechelse omgeving vaak dat men de boeken van Deflo fijn vindt omdat ze zich afspelen in Mechelen. Ik vind dat Mechels kader bij nader inzien vrij oppervlakkig. Je citeert wat straten en gebouwen, dat is het zowat. Waar is het je dan om te doen?” 

“Dat is iets dat een eigen leven is gaan leiden. Ik heb nooit stil gestaan bij de arena, vond dat niet belangrijk. Het gaat me om het verhaal en de personages, ik schrijf geen streekroman, hé? Bij mij is een thriller een rollercoaster. Ik koos Mechelen uit luiheid, de provinciale stad waar mijn verhalen zich thuis voelen. Toch leeft dat bij de mensen, hé. Mensen komen me vertellen dat een bepaald huis geen huis is, maar een appartement. Men koopt soms een boek omdat een zijstraat van hun straat wordt vermeld.”

Bij Deflo zijn er nooit winnaars. Iedereen krijgt slaag, lees ik in een juryverslag. Of nog: “Niet de motivering, niet de moorddrang vormen het kerngegeven bij Deflo, maar het inzicht in de drijfveer, het maatschappelijke passiespel errond, de kwetsbaarheid en argeloosheid van iedere mens.

“Dat klopt. Bij een moord zijn alleen maar verliezers. Ben ik daardoor een pessimist? Neen, een realist. Ik kreeg in de pers ooit het cachet een horrorauteur te zijn. Ik schrijf geen horror. Door zo’n etiket haken mensen af, want die willen dat niet lezen. Een moord is gruwel, maar ik ben geen gruwelschrijver. Mijn moorden zouden plastisch beschreven zijn. Ik wil een moord ook plastisch beschrijven. Het is me nooit te doen om moord te verheerlijken, eerder het omgekeerde, maar wil het wel correct neerschrijven. Aantonen dat het effect heeft op iedereen die ermee te maken krijgt. Van een vriend bij de moordbrigade nam ik ooit twee classeurs mee. Ik heb een heel weekend in die verslagen gelezen en dacht: foert, mijn vriend heeft dat allemaal méégemaakt. Daar stond bijvoorbeeld een geval in van een vader die zijn gezin uitmoordde met een jachtgeweer en de bedoeling had daarna zelfmoord te plegen. Alleen mislukte dat laatste. Mijn vriend gaat daar als eerste binnen. Moet in heel technische bewoordingen de feiten van de moord beschrijven. Dat neem je dus mee, hé. Die gaat s ’avonds geen spaghetti met balletjes meer eten, hé.”

“Nooit zin gehad een ander genre te proberen?”

“Ik hou mijn memoires bij, te vergelijken met De Helaasheid der dingen. een soort van coming of age-roman. Ik had een leuke jeugd. Misschien breng ik het ooit eens uit, maar nu nog niet. Dat is een bewuste keuze. Sommige collega’s wisselen een thriller af met een roman,  een reisverhaal, … Op het laatste weten de lezers niet meer wat ze moeten verwachten. Dat is funest, zo haken ze af. Daarom ga ik ook nooit mee in hypes, zoals toen bij de Da Vinci Code. Of de erotische hype. Plots doet iedereen dat. Zo werkt het niet, mensen voelen dat. Schoenmaker, blijft bij uw leest. Whoesh, een vuurpijl en het is gedaan. Ik beweer altijd, er zijn alleen goede en slechte boeken, in alle genres, tot reisboeken toe. Bij spannende boeken heb je het voordeel dat je die spanning kunt opbouwen, wat minder kan in een literair boek. Wat een kransje navelstaarders daarover denkt, daar veeg ik mijn gat aan. “

“Jij schrijft vlugger dan de uitgever kan uitgeven?” 

“Ik heb vier manuscripten klaar. Dat ik twee boeken per jaar uitbreng is puur economisch. Het is mijn job, hé. Ik moet mijn huis afbetalen. Simenon schreef wel een boek in een weekend. Ik heb zoiets van: dit is het, als ik daar nog een jaar aan schrijf, wordt het alleen maar slechter. Ik werk dag en nacht, in het weekend, s’ avonds in mijn stoel zit ik met een trappist met een ideeënblad naast mij. Met die ideeën start ik de volgende dag.”

“Is schrijven een kwestie van vertrouwen?”

“Uiteraard. Ik geloof in mezelf. Ik ben een onzekere mens in het leven, maar als schrijver weet ik wat ik wil. Als ik boeken schrijf is er geen betere dan ik. Ik ben top. Ik ben zo top, dat elk boek dat ik aan het schrijven ben het beste boek is dat ooit werd geschreven. Dan steek ik die in mijn schuif, begin ik aan een ander beste boek ter wereld. Een jaar later haal ik het vorige beste boek uit de schuif, en plots is dat zo goed niet meer. Dan gooi ik er al de franjes uit, de gezochte metaforen en wordt dat boek alleen maar beter.”

SCHRIJVEN EN SYNERGIE

“Kan iedereen schrijver worden?”

“Schrijverscursussen, daar geloof ik niet in. Als je denkt dat drie studiejaren literatuur je een succesauteur maakt, vergeet dat maar. Schrijven is geleefd hebben, focus hebben, doorzettingsvermogen. Je moet een beetje geluk hebben, zoals met alles. Mijn debuut stuurde ik naar verschillende uitgeverijen.

 “Aspe en Deflo, dat bekt gewoon goed. Nooit gedacht samen iets te doen? “

“Ooit wilde ik die Cel 5-reeks samen met Pierre doen. We hebben er over gepraat, maar eigenlijk hebben we het beiden te druk. Hij woont aan zee, ik in Brussel, praktisch is dat niet haalbaar. Toen ik begon, was Aspe al vijf jaar bezig hé. In het begin, toen ik op de boekenbeurs naast hem zat, stond er een file bij hem, niemand bij mij. Plots een camera voor mijn neus: Mijnheer Deflo, daar staat een file en hier niet, hoe komt dat? Dan moet je wel ad rem zijn of je gaat af, hé? Na vier jaar kregen ze medelijden met mij. Schrijf jij goede boeken? Probeer eens, hé? Allé vooruit, geef me eens honderd gram. Niet zo lang geleden, was ik zo kort bij een Amerikaanse uitgever.” (toont een beetje lucht tussen duim en wijsvinger). Ik spreek over een deal met een echt grote uitgever, ik heb hier de correspondentie liggen. Het liep op het laatst mis omdat men plots vond dat er al genoeg psychopaten rondliepen in de Amerikaanse thrillerwereld. Het is niet gelukt, maar ik kan tenminste zeggen dat ik het heb geprobeerd. Dat het Pierre wel lukt, vind ik fantastisch voor hem. Maar ik kan leven van mijn pen, en dat maakt me gelukkig.”  

“Doe jij veel lezingen?”

“Een paar per jaar, ik wil daar niet in overdrijven, zeker niet als je een halve dag formulieren moet invullen. De resultaten die er uit komen zijn niet wat ik verlang. Wat ik wél verlang is dat we in Vlaanderen eerlijker zouden betaald worden voor ons werk dat in de bibliotheek wordt ontleend. Ken je Lira?”

“Ja, dat is van Nederland. “

“Van Lira krijg ik elk jaar geld, en niet weinig. In Nederland word ik bijlange niet zo veel ontleend als in Vlaanderen. Al wat daar voor nodig was, was één formulier, vier bladzijden weliswaar. Voor elk ontleend boek, krijg je een getalletje van drie cijfers na de komma. Op het einde van het jaar krijg je een afrekening in detail. Een nieuw boek moet je zelfs niet meer aangeven. De uitgever doet dat. Né-der-land. In Vlaanderen word ik honderd keer meer gelezen, hoewel het anderhalf keer kleiner is. Die lacune kost mij een fortuin, dat is broodroof. Als iemand me zegt dat hij een boek van mij uit de bibliotheek heeft gelezen, zeg ik tof, weer iemand die me kent, maar waarvoor ik niet word betaald. Ik probeer dat filosofisch op te vatten. Dat het in Nederland kan, en hier niet: dat pikt. Alle respect voor het sociale doel van een bibliotheek, maar het is niet aan de auteurs om dat te financieren.