Bavo Dhooge

Met de S van Spectaculaire Selfrelativering

 

Een predikant met drie vrouwen die mits een nauwgezet uurrooster elke vrouw tevreden houdt. Een vrouw die verliefd wordt op een aquariumvis omdat ze denkt dat het de personificatie is van haar verdwenen echtgenoot. Een gangster die bij een bank solliciteert en ze vervolgens berooft omdat hij niet wordt aangenomen. Een ex-basketballer die levenslang naar zijn mislukte shot op de buzzer kijkt.

Je kunt ze niet zo gek bedenken of ze bestaan: de kwibussen in de wereld van Bavo Dhooge, die als pathetische losers hun maffe intenties verantwoorden met je reinste kromspraak. Een boek van Dhooge zit volgestouwd met zulke minkukels die je ondersteboven lullen dat het niet mooi meer is. Boeken die je in een trek doorleest, je moet wel, het is een verslavende vorm van entertainment. Dat hebben ze bij Vrij Nederland goed begrepen want zij werpen alvast naar Bavo met sterren alsof het shuriken zijn.

En de schrijver? Hij houdt niet op met schrijven. Als een metronoom van vlees en bloed, onverstoord rustig. Het epicentrum van deze krankzinnige janboel blijkt een bescheiden, correcte maar kordate kerel te zijn, die je op straat zo zou voorbijlopen. Maar vergis je niet: achter elke plot zit deze puppetmaster, die de touwtjes van de regie goed in handen houdt. Op Dhoog niveau.

“In Knack noemt Lukas De Vos je de Lucky Luke van de schrijvers, de schrijver die sneller schrijft dan zijn schaduw. In een periode van 13 jaar schreef je bijna 80 boeken in 8 verschillende genres, waarvoor je 6 maal werd bekroond met daarboven op ettelijke nominaties. Hoe gaat het met de gezondheid, eet je wel genoeg? Moet jij niet slapen? Voor zo’n prijsbeest blijf jij overigens opvallend op de achtergrond.”

“Het is waar dat ik geen tafelspringer ben, nooit geweest. Ik heb er geen behoefte aan de stem van Vlaanderen te zijn en vind het normaal dat het grote publiek mijn naam niet kent. Van nature ben ik een eenzaat, en daar voel ik me goed bij. Wat niet weg neemt dat ik soms wel eens op mijn strepen durf te staan, want mijn palmares liegt er niet om. Ik relativeer dat met het bekende aforisme van Woody Allen waarbij hij zegt dat hij niet bij een club wil horen die hem als lid zou aanvaarden.”

“Je studeerde Film & Televisie in Gent. Je eindwerk werd geselecteerd op het Internationaal Filmfestival van die stad. Je schrijft scenario’s, je boeken spelen zich sinds Stand-in (2007) af in de Gekko plaats bij uitstek: Los Angeles. Deze combinatie lijkt me handig om jouw parate filmkennis volop te demonstreren. Al jouw personages praten en denken immers als in Hollywood B-films.”
“Op de Filmschool moest ik aan de lijve ondervinden dat de creatie van een verhaal me meer aantrok dan de technische uitwerking ervan. Ik was leergierig als het over scenario of regie ging, maar luisterde maar half wanneer het camerawerk of belichting betrof. Gaandeweg kon ik die interesse kanaliseren. Ik voelde me bijzonder aangetrokken tot de Private Eye-films, de film noir, de wereld van de detective met de beeldschone opdrachtgeefster. Het merendeel van dat soort films werd snel, maar zo goed mogelijk gemaakt. Crew en acteurs van zo’n B-film konden zichzelf relativeren en dat hoor je ook in de dialogen, doordrongen van tongue in cheek. Zo kernachtig mogelijk de dingen benoemen. Zoals Stephen King ooit het verschil aanduidde tussen literatuur en genreliteratuur: in het eerste gaat het over alledaagse mensen die in uitzonderlijke situaties terechtkomen, in het tweede gaat het over uitzonderlijke mensen in alledaagse situaties.”

“Je werkte als copywriter/scenarist voor een productiehuis, als freelance redacteur en recensent, voor bekende tijdschriften. Is het daar dat je je boeken gewoon op het werk schreef, zoals ik in een column van jou las?”
“Voor ik fulltime schrijver werd was er een periode waarin ik voor mezelf wilde zien hoe ik het ervan afbracht. Dus moet je een en ander combineren. Dat doet iedereen. Ik had in die tijd een creatieve job, waarbij ik reclameconcepten moest bedenken, zeg maar slogans. Nou, het was zaak om net wat creatiever te zijn dan de collega’s, zodat ik ook mijn eigen ei kwijt kon. Op het einde van de dag printte ik af wat ik had geschreven en ging thuis verder. Het was best spannend, maar na drie boeken moest ik aan mezelf toegeven dat het op die manier niet verder kon. Toen werd het tijd om de grote sprong te wagen.”

L940 17“Ooit was je een goed tennisser, lees ik ergens. Dan verwacht ik je naam op de erelijst van een Grand Slam. Toch?”
“Dat valt moeilijk te beoordelen. Ik zou, denk ik, zeker nooit goed genoeg geweest zijn voor de top-100, maar ik zat op de VTV-Tennisschool, samen met Sabine Appelmans en Filip Dewulf. Ik tenniste van mijn vijf jaar. Mijn vader stierf toen hij 41 was, ik 12. Mijn moeder moest plots alle zeilen bijzetten om voor het gezin de kost te verdienen, dus aan mijn dure tennisopleiding kwam een einde. In die tijd was dat nog behoorlijk elitair. Zij heeft er in haar eentje voor gezorgd dat mijn broer en ik niet op het verkeerde pad geraakten, terwijl ze fulltime werkte. Faut le faire, ik ben haar eeuwig dankbaar.”

“Hoe is die fixatie ontstaan voor de S-titels? Waarom de S en niet B of D?“
“Dat is aan toeval te wijten. Iemand maakte de opmerking dat ik met Sedes en Belli (Sallieri 2002) nu al voor de derde keer een boek had geschreven dat met de letter S begon (na Spaghetti (2001) en SMAK (2002)). Ik heb toen geoordeeld dat dit inderdaad mijn persoonlijke handtekening kon worden, over alle genres heen. Het is mijn eigen hokje dat ik bewust heb gecreëerd, mijn stempel, mijn logo. Noem het een gimmick om op te vallen in het grote aanbod. Bovendien vind ik de S grafisch een mooie letter. Er bestaan trouwens heel wat mooie S-woorden: SF, spanning, suspens, satire, surrealisme, spielerei,... In een eerste opzet zou ik stoppen na het 19e boek, de plaats van de S in het alfabet. Nu heb ik het flauwe idee ooit te stoppen met een boek (misschien nummer 100) dat de titel “Sssst” zou kunnen dragen. Als het sussen voor de grote stilte.”

“Voor je aan je L.A.-cyclus begon was Pat Somers wereldberoemd in Vlaanderen, als hoofdpersoon van je eerste boeken. Waarom liet jij het klassieke private eye-genre vallen?”
“Pat Somers was een pastiche op de private-eye uit Los Angeles à la Chandler of Hammett, met alle stijlkenmerken van doen: hardboiled actie, snappy oneliners en puur cynisme met een stad als achtergrond. Na zes romans was het concept op. Ik vond dat de privédetective niet langer werkte in een Vlaamse stad als Gent en zocht het voortaan in de heimat van de private-eye: L.A.”

“Vanaf Stand-in spelen al je thrillers zich af in Los Angeles. Ze zijn haast niet na te vertellen vanwege de absurde plotwendingen, maffe personages en pseudo kletskoek dialogen. Het is alsof je een bad neemt in de wereld van de Marx Brothers.”
“Dat wacko gedoe is een stijlkenmerk, dat is juist. Het decor leent er zich toe. In L.A. is the sky the limit. Dergelijke buitenissige figuren, larger than life, zijn daar geloofwaardiger. Bovendien gaat het in zulke romans meer over de schemerzone, wie is echt goed of slecht, echte helden bestaan niet, iedereen heeft iets op zijn kerfstok, maar is tegelijk nog altijd mens.”

“Toch een poging om drie van je boeken aan de lezer voor te stellen. Shappa Crane uit Sioux Blues (2010) is een moordwijf, letterlijk en figuurlijk. Ze engageert een huurmoordenaar om de dood van haar man te wreken. Zowel die moordenaar, Chet, als haar man, Cassius Crane, hebben een schuld bij ene Ray Fine. Fine denkt dat Shappa Chet zal betalen met de opbrengst van de bank die Cassius beroofde, en eist dus al het geld. Dit is de aanzet voor zo’n absurde situatie die alsmaar gekker wordt, maar nergens ontspoort. En telkens kom jij daar mee weg. Hoe hou je controle over die absurde plots?”
“Ik vertrek vanuit de personages. Daar steek ik veel werk in, want daar moet de lezer empathie voor voelen. Via die personages kom ik vanzelf op de plot, die ik vervolgens samenvat in een pitch met trefwoorden. Wat moet er gebeuren en waarom? Ik schrijf de scènes vervolgens uit in scenariovorm, min of meer volgens de wetmatigheden van een scenario: 60 scènes van 2 minuten, zo kom je aan een film van twee uur. Vervolgens broed ik op de eerste zin. In de hoop dat er nog meerdere zullen volgen.”

“Die man in kwestie, Chet, ziet Shappa Crane wel zitten. Hij denkt onmiddellijk aan Uhura, de zwarte vrouw uit Star Trek. Die naam duikt eveneens op in Santa Monica (2013). Was jij een Trekkie? Is Uhura voor jou het prototype van de knappe zwarte vrouw?”L940 23
“Ik wilde in die boeken vooral de sfeer van de jaren zeventig brengen. Dat doe ik door te refereren naar de muziek, films, mode, al die zaken die nog in het langetermijngeheugen zitten van de gemiddelde lezer. Een van de eerste zwarte vrouwen die toen prominent op tv kwam was precies Nichelle Nicols, aka Uhura. Zij moet veel betekend hebben voor zwarte acteurs uit die tijd en veroorzaakte een schokgolf door de eerste raciale kus op tv. Tegelijk kwam Sidney Poitier en was het spel vertrokken. Maar nee, een Trekkie was ik niet.”

“Eigenlijk lullen jouw personages wat af in zo’n boek. Zij praten werkelijk alles recht wat krom is. Het geeft niet hoe erg of hoe vaak ze zich in nesten werken, het is de manier waarop ze er een draai aan geven die jou blijkbaar interesseert? Ron Dark was ooit basketballer, wiens reputatie naar de knoppen ging omdat hij in de laatste seconden een overwinning te grabbel gooide. Jack Spark laat niemand in zijn huis vanwege een trauma uit Vietnam en Vinnie Tripps is helemaal hoteldebotel van een aquariumvis. Just an average day in LA ?”
“Dat zootje prettig gestoorden vormt een specialiteit van het huis, dat is waar. Toch ga ik telkens op zoek naar de mens achter het gedoe. Jack Spark probeert zijn trauma te verwerken door de vleesgeworden kalmte te zijn als nachtclubportier. Hij laat niemand binnen in de club, maar ook niet in zijn flat, noch in zijn leven. Hij is een muur. Wanneer hij wordt ontslagen gaat hij helemaal uit de bol als hij merkt dat in zijn flat werd ingebroken. Dat berust op een persoonlijke ervaring toen ik voor een vakantiehuisje van de tussenpersoon drie sleutels kreeg. Waarom drie en geen vier, dacht ik? Het befaamde wat als. Zo simpel kan het zijn. Ook met Vinnie Tripps voel ik verwantschap, want net als hij had ik ooit een aquarium waar ik in het begin lang kon naar staren, tot het me begon te vervelen en ik dacht: ik kan er beter over schrijven. Het heeft wel iets existentieels en symbolisch: ook de mens zit vaak opgesloten in zijn bokaal/luchtbel/bestaan, en draait vaak rondjes tot hij op een gegeven moment dood ronddrijft.”

Lezersvraag: “Kiest Bavo Dhooge effectief bepaalde personages uit die de slechterik moeten spelen en andere voor een mooie rol in het verhaal?”
“Niemand is honderd procent slecht of goed. Niet in het echte leven, niet in goede verhalen, zeker niet in mijn boeken. Ik kies voor rechtschapen kerels met een verdorven kantje of voor boeven die bijvoorbeeld maniakaal bezig zijn met hun huishouden. The Soprano’s zijn daarvan een schoolvoorbeeld. Een maffiabaas die er zijn hand niet voor om draaide om iemand te vermoorden, maar zich constant zorgen maakte over de schoolresultaten van zijn twee kinderen. Je werkt een personage uit, en vanaf een bepaald moment gaat die met het verhaal aan de haal. Beslist hij de dingen in jouw plaats. Als schrijver heb je vaak meer schroom dan je personages.“

“Op een heimelijke manier blijk je overigens toch research te doen. Billy Mills won wel degelijk Olympisch goud, de aanleiding tot Wounded Knee citeer je correct, je maakt onderscheid tussen de verscheidene indianenstammen, waarbij het inderdaad de Pawnee zijn die hanenkammen droegen.”L940 28
“Hoe vreemd de personages ook zijn, het profiel moet kloppen, maar ik schuif het er liefst zo onopvallend mogelijk in. Ik was nooit in Los Angeles, maar koos dat als een soort achtergrondprojectie omdat iedereen die stad meent te kennen vanuit films en series. Mensen die er wonen maken mij dan wel de nodige opmerkingen. Zo vind je in de stad bijvoorbeeld geen huizen met een haag als afscherming. Of in L.A. kennen ze geen knusse boekenwinkels zoals hier in Vlaanderen, of zelfs Parijs of Londen. Ginds is alles huge. Bovendien vind ik het een meerwaarde voor de lezer en voor mezelf, als schrijver, om als outsider telkens een klein stukje geschiedenis van dat continent mee te geven, zoals de rassendiscriminatie, de Korea- en Vietnamoorlogen, politieke schandalen, enz.”

“Centraal thema uit Sushi King (2013) zijn de visgevechten, een traditie in Thailand. Vedette van het verhaal is een aquariumvis, de arowana, die naar het schijnt 80.000 dollar kost. Dat blijkt nog waar te zijn ook. Wat is er zo speciaal aan die vis? Alvast niet de smaak, want Sin Hin, alias de Sushi King, wordt er onwel van.”
“Ik zou het echt niet weten. Die vis heeft niets speciaals, hij is niet mooi, geen vechter, hij kost gewoon veel. Onverklaarbaar. Maar dat maakt het net zo interessant: wat maakt die vis zo speciaal? Waarom willen mensen er zo veel voor betalen? Het heeft iets absurds. Hij staat symbool voor de zinloosheid van het bestaan.”

“Wat me opvalt is dat jouw plots, hoe fantasierijk ook, vaak gebouwd zijn op clichés. Blanche Deveraux komt van het zuiden van de States, dus kent ze iets van voodoo en gebruikt ze popjes waar ze speldjes doorheen steekt. Bo Dodge is een fan van Buster Keaton en kent dus al zijn films uit het hoofd. Wie Sioux zegt, kan gewoon niet naast Wounded Knee. En zo verder. Is herkenning belangrijk in je plots?”
“Amerika is tegelijk oppervlakkig en ingewikkeld. Je krijgt van iedereen altijd een goedendag, maar veel verder gaat de conversatie niet. Het is een zeer politiek correcte samenleving, merk ik uit ervaring nu ik bezig ben met mijn eerste vertaling in de US, Styx (2014). Er is niet zo veel plaats voor nuance en vele zaken worden toch wat afgevlakt. Je kunt overal een hamburger of steak eten, maar bestel maar eens een hamburger aan een kraam, je bent wel even bezig. Ik steek de dubbele lagen liever in de personages, de dialogen en de stijl. Extra complicaties met moeilijke achtergronden zou van het goede teveel kunnen zijn.“

“Je waagt je vaak op andere literaire terreinen. Recent schreef je een historisch boek over Leopold III, onze dramatische koning. Je bent zelfs niet te beroerd om als ghostwriter te fungeren. Je zoekt die afwisseling bewust op?”
“Het geeft mij een goed gevoel steeds van genre te wisselen. Ik kan geen drie thrillers na elkaar schrijven, daar ben ik veel te wispelturig voor. Het geeft me bovendien de gelegenheid twee, drie boeken tegelijk te schrijven en elke dag dat genre te kiezen waarvoor ik me goed voel. Die afwisseling is mijn uitdaging. Aan dat boek over Leopold III (Schaduw van een koning - 2013) heb ik zes jaar geschreven. Tussendoor, ik liet het vaak rusten voor andere projecten. Het bleef me echter boeien hoe weinig we weten van de relatie tussen de koning en zijn bewaker, kolonel Werner Kiewitz, die in een sfeer van wederzijds respect met elkaar omgingen. Later kwam daar Liliane Baels bij, wat de situatie bijna tot een driehoeksverhouding bracht. Het is slechts een kleine noot in de geschiedenis, waar je niet veel over vindt, maar die ik nodig had als compensatie voor het gemis aan fictie. Het was een moeilijk boek, meer dan een miljoen tekens, ik denk niet dat ik dat nog gauw zal presteren. De uitgever wilde per se de vermelding magnum opus op de achterflap, maar zo beschouw ik het niet. “

“Je werk wordt gewaardeerd door vele vakmensen. Je kreeg de Schaduwprijs in 2003, de Diamanten Kogel, de Hercule Poirotprijs, één nominatie voor de Gouden Strop. Vrij Nederland is dol op jou en nu gaat ook Amerika overstag. Wanneer koop jij Vlaanderen? Voel jij erkenning in Vlaanderen? In Nederland?”
“Wat is erkenning? Het feit dat je 4000 exemplaren van een boek hebt verkocht? 4000 op 6 miljoen Vlamingen, want Nederland moet je niet meetellen. Laat ons bescheiden blijven, ons taalgebied gebiedt het ons. Ik klaag niet. Maar ik maak het mezelf ook weer niet makkelijk door geen reeks te schrijven en altijd opnieuw te beginnen. Elke keer weer is het een uitdaging om het publiek voor me te winnen. Dat vind ik veel interessanter dan op veilig spelen.”

L940 30Lezersvraag: “Heeft deze auteur zijn speciale zin voor humor van nature uit meegekregen, of heeft hij die zichzelf aangemeten?”
“Kan je humor aanleren? Ik denk het niet. Je kunt technieken aanleren, maar de timing voor de juiste grap op het juiste moment, dat vergt talent. Dit gezegd zijnde, ik ben wel wat bezig geweest met genres die het moeten hebben van cynisme en relativering, dus ik kon daarin wel groeien. Ik ben geen moppentapper voor alle duidelijkheid, maar ik volg wel het credo van Oscar Wilde: ‘don’t take life seriously because you can’t come out alive’. Dat soort zelfrelativering en humor vind ik verrijkend en pas ik dan ook graag toe. Het leven als een grote grap.”

“Vertel eens wat meer over Styx, jouw nieuwste boek, een fantasy thriller? Dat boek wordt trouwens ook uitgegeven in Amerika. Hoe kom je daar zo plots, met een boek dat nu eens niet over L.A. gaat?
“Nee, ik keer terug naar Oostende, met een klassiek politieduo, alleen is de Styx een zombie. vermoord door de seriemoordenaar waar hij jacht op maakt. Hij komt terug uit het dodenrijk om de klus af te maken. Dat is mijn persoonlijke twist aan een politieroman. Maar ik vind Styx eerder sciencefiction dan fantasy. In dat eerste genre kun je nog werken met echte personages, bij fantasy gaat het meer om de creatie van nieuwe werelden. Na The Lord of the Rings kan weinig ons daarin nog verrassen. Het interessante aan Styx vond ik dat het om één zombie gaat, een good zombie dan nog, want bij leven was hij een agressieve en corrupte flik die een tweede kans krijgt in het vagevuur. Bovendien is hij alleen en is hij dus een soort existentiële zombie, tegen de achtergrond van het Oostendse, vervallen decor, stad van een ook al vergane glorie. Er is een link naar het surrealisme, Ensor, het mysterie van de zee, enz.”

“Ik heb lang moeten zoeken, maar tussen de stroom “hoera”- recensies stond ook wel eens een kritische noot. Over je boek Straks werd ons geluk vermoord (2008), een sciencefiction roman over relaties, zegt iemand: De wereld waarin het zich afspeelt komt geen moment tot leven als een overtuigende alternatieve werkelijkheid. ... Het helpt ook niet dat de schrijver weinig verbeeldend schrijft. Om de haverklap worden warmtepistolen, shuttles en dergelijke futuristische zaken geïntroduceerd op een manier die getuigt van weinig fantasie. Geen uitgebreide beschrijvingen; ze zijn er gewoon en de lezer dient dat te accepteren.“
“Ik ben natuurlijk een kind van mijn tijd. Ik groeide op met schrijvers als Ernest Hemingway, die een avontuurlijk boek omschreef als een boek zonder adjectieven. Zinnen moeten kort, geen gedoe, alles moet wijken voor actie. Dat iemand op een fiets rijdt, gekleed is in een regenjas, een broek met veel te wijde pijpen en een hoed die door de wind altijd wegvliegt, ik noem maar wat, mag je van hem allemaal niet schrijven. Je moet een actie neerschrijven waarbij die wind, de hoed en de fiets een rol spelen waarbij het ene uit het andere voortkomt. Show, don’t tell. Dat was ook een credo in mijn opleiding scenario. Dus om terug te komen op die commentaar: de supersonische details interesseerden me zo niet, wel wat die personages met die dingen konden doen. Ik vind dat dit meer met verbeelding te maken heeft dan het meticuleus neerschrijven van technische specificaties van een product. “

Lezersvraag: Heeft hij een ultieme uitdaging voor zichzelf als auteur?”
“Het volgende boek. Een cliché, maar het is zo. Ik ben in de flow van mijn leven, van mijn schrijven, en heb er nog lang niet genoeg van. Mijn leven is goed georganiseerd, ik ben absoluut niet bezig met een einde. Wie weet, ooit komt wellicht dat gevoel, dat het genoeg is geweest. Dan zeg ik: Sssscht!”