Patrick De Bruyn

Opstaan en dan weer doorgaan

Patrick De Bruyn is zowat het best bewaarde geheim van de Vlaamse misdaadliteratuur. Hoewel hij zeven nominaties haalde bij alle literaire prijzen, won hij pas in 2010 de Hercule Poirotprijs met Dodelijk verlangen, zijn referentieboek. Tot nu toe, want Patrick broedt voortdurend op nieuwe plannen. Hij vindt het niet erg dat hij in Vlaanderen niet zo populair is als Pieter Aspe of Luc Deflo, hij vindt het wél erg dat je zijn boeken in twee dagen uit leest. Patrick vindt veel dingen, maar dat komt omdat hij over alles nadenkt. Over de fontein van Genève bijvoorbeeld, of over de klare lijn van Hergé.

Een gesprek met een ervaren misdaadauteur, iemand die weet wat hij wil en kan, en daarom ook doet, gewoon omdat hij het kan. Een karakterbeest. Een psycholoog ook, van opleiding. Maar ik mocht gratis op consult.

“Op internet geef je niet veel van jezelf prijs. Je hebt geen persoonlijke website. Veel meer dan dat je psychologie studeerde en beroepsmatig personeel rekruteerde, ben ik niet te weten gekomen. Wat moet de lezer nog weten om hoogte te krijgen van Patrick De Bruyn?”

“Ik loop niet zo te koop met de persoon Patrick De Bruyn. Ik houd van mijn privacy, vooral omdat die in het verleden een paar keer werd geschonden. Zo heb ik contractueel bepaald dat mijn foto niet op de achterflap van mijn boeken komt. Mijn schrijverscarrière loopt echter al een hele tijd. Toen ik 18 was nam ik deel aan de Prijs voor het Knokke-Heist jeugdboek, een organisatie van het Davidsfonds. Ik won de aanmoedigingsprijs, ter waarde van 15 000 Belgische frank (370 euro, maar dan in 1976). Zeggen dat ik daarmee de smaak te pakken kreeg, is veel gezegd, want mijn volgende boek, mijn eigenlijke debuut, File, verscheen pas in 1998, bij Van Halewyck. Hij gaf ook mijn volgende boek uit, Indringer. Dat was gebaseerd op een ervaring van een zakenrelatie, die me toevertrouwde dat hij op het punt stond om zelfmoord te plegen.“

 

“Dat is al heel wat nieuwe informatie, maar ik merk dat je een stuk van mijn vraag ontwijkt. Misschien probeer ik straks nog eens. Hoe werden die eerste boeken ontvangen?”

“Fred Braeckman schreef dat deze debutant onmiskenbare kwaliteiten had in vergelijking met de ‘usual suspects’. Ik was al tevreden dat ik werd gerecenseerd, in De Morgen nog wel. Ik had met mijn uitgever, toen ook een rookie in het vak, een slimme afspraak qua distributie, waardoor ik als debuterende schrijver toch overal goed zichtbaar was. Dat heeft mijn bekendheid in de hand gewerkt.”

 

“Mensen willen een spannend verhaal lezen dat zich onder hun kerktoren afspeelt, is een quote van jou, uit een vorig interview. Je vindt herkenbaarheid blijkbaar een grote troef. Vlaamse misdaadromans moeten zich dus in Vlaanderen afspelen?”

“Niet noodzakelijk, maar je maakt het je daarmee wel gemakkelijker. Ik kan best een scène in Ouagadougou laten spelen, maar ik ben daar nooit geweest. Dat verlies ik altijd van de mensen die de stad wel kennen. Ik definieer niet tot het uiterste. Men zegt van mij dat ik mijn romans in Halle laat afspelen, omdat ik daar toevallig woon. Dat is niet helemaal waar. Ik heb een stad nodig omdat daar misdaad kan ontstaan. Ik spreek over de voornaamste winkelstraat van Halle, zonder die te benoemen, want daar hebben de meesten geen boodschap aan. Een inwoner van Halle zal wel voelen dat het klopt, voor de anderen is dat niet zo belangrijk.”

 

“Vele misdaadschrijvers laten hun verhalen zogezegd afspelen inhun thuisstad, maar vaak komen ze niet verder dan het benoemen van wat straten en gebouwen. Dan liever boeken waarin een stad een rol speelt, zélf een personage is, zoals in de boeken rond Frieda Klein van Nicci French. Toch?”

“Precies. Als dat niet is, heb ik geen affiniteit met een bepaalde stad. Dit gezegd zijnde: mijn volgende boek speelt zich voor een stuk in Parijs af.”

 

“Je geeft aan dat je een veellezer bent, en niet van deminste namen. Je vermeldt Paul Claudel, Karin Avtegen, Henning Mankell, enz. Van wie heb je gedacht: dat moet ik later ook eens proberen?”

“Ik wás een veellezer. Dat heb je uit een oud interview met mij.”

“Ik beken.”

“... want dat is niet meer zo. Ik lees niet zoveel meer. Die periode is voorbij. Weet je, eigenlijk was het medium film oorspronkelijk mijn dada. Ik wilde regisseur worden, of iets doen met animatiefilms, maar dat mocht niet van thuis, dat was te avontuurlijk. Dan heb ik maar het meest verwante gezocht; kwam ik uit bij literatuur. Maar om terug te komen op je vraag, over het lezen: ik vermoed dat ik voldoende heb opgezogen, om mijn eigen stem te hebben. “

 

“Jij blijkt te beschikken over een tekstverwerker waaruit de tekst gulpt, eenmaal het idee vorm heeft gekregen. Weer een quote van jou. Waar koop je zo’n tekstverwerker?”

“Komt uit datzelfde interview, of toch uit dezelfde tijd. Ik heb nu een andere manier van werken. In mijn beginperiode schreef ik scènes, bedacht personages en smeedde dat vervolgens aan elkaar. Dat kon wel een poosje duren voor ik daar tevreden over was. Maar ik schreef dan nodeloos veel, dat ik daarna niet gebruikte. Dat duurde tot Dodelijk verlangen. Daarmee maakte ik een radicale stijlbreuk, zowel in de manier van schrijven als in de manier waarop ik een verhaal vertel. Daarna schreef ik economischer. Ik maak voortaan plannen, stel je voor. Wat weer niet wil zeggen dat de personages tijdens het productieproces mijn pen niet mogen over nemen.”

 

CHARLY

“Tussen Dodelijk Verlangen en Charly liggen vier jaar. Waarom?” Wist u aan het einde van Dodelijk verlangen dat u Charly zou laten terug komen?”

“Kom vooruit, omdat je niet afhoudt. Die vier jaar lopen samen met mijn eenzame tocht door de woestijn. Het was de zwaarste crisis uit mijn leven, die zich op alle vlakken liet gelden: financieel, relatie, gebrek aan zelfvertrouwen, misplaatste trots. Ik ben psycholoog, ik heb dan toch geen andere psycholoog nodig, die gedachte. ” (Denkt na). “Een periode waarin schrijven niet lukte, omdat ik .... omdat het niet belangrijk was. Al wat ik probeerde, lukte niet, omdat het hart en de ziel er niet bij waren. Ik worstelde ook met een probleem qua stijl. Ik vertelde het aan mijn uitgever, die zich natuurlijk ook afvroeg was waarom ik zo afwezig bleef. En Charly uit Dodelijk verlangen bleef voortdurend door mijn hoofd spoken. Mijn uitgever stelde me voor om de spinsels uit Dodelijk verlangen te verwerken in mijn manuscript. Dat werd Charly.”

 

“De hoofdfiguren voor Charly komen pas aan bod vanaf het tweede deel, waardoor de personages van het eerste deel helemaal naar de achtergrond verdwijnen. Wat was daar de reden voor?”

“De relatie tussen Charly en Allison moest langzaam worden opgebouwd. Ik vind dat niet erg, dat hoort bij mijn nieuwe stijl. Ik kan en wil het me permitteren dat ik de lezer op stang kan jagen. Want een thrillerlezer ... wat is een thrillerlezer?”

“Iemand die een spannend verhaal verwacht volgens de conventies?”

“Juist. Maar moeten we dat slaafs volgen? Wie schrijft de boeken, de schrijver of de lezer? Als iedereen nog zou schrijven als Agatha Christie, dan aten we nu allemaal nog rauw vlees. Ik hoef mezelf niet meer te bewijzen, ik schrijf uit mentale noodzaak. Dus als ik wil experimenteren is dat mijn artistieke motor die me dat oplegt, en wil ik dat doen, gewoon omdat ik dat kan. Oké, ik weet dat zo’n lange aanloop in een thriller nefast kan werken. Daarom bracht ik drama en conflict eerder in het boek. Ik had een binnenkomer nodig. Een thriller moet met een boem beginnen, dat is toch wel een ongeschreven wet. Vandaar dat ik met de ouders begon.”

 

“De twee hoofdpersonages, Charly en Allison, worden hopeloos op elkaar verliefd, hoewel later blijkt dat dit niet voor beiden geldt. Ze hebben één lang uitgeschreven seksscène met elkaar. Geloofwaardig geschreven overigens, maar waarom moest hun relatie zo balanceren op erotische dominantie?“

“Precies daarom: de dominantie. Die groeit. Voor Charly staat seks gelijk aan liefde, voor Allison niet.”

 

“Het is me, na lectuur, niet duidelijk of Allison Charly manipuleert omdat ze eenmaal zo is, of dat het met voorbedachten rade was?”

“Allison ziet Charly als een bedreiging. Vooraleer ze elkaar kenden was Allison de ster op school. Plots was Charly daar. Even knap, wat timider, maar evenzo iemand die de hoofden doet draaien. En dat kan Allison niet hebben. Ze benadert dus Charly, maakt haar tot vriendin, manipuleert haar, gewoon om de controle te verwerven. Al die seksuele toenaderingspogingen maken deel uit van de verovering.”

 

“Charly zegt dat vier jaar psychotherapie haar heeft leren vergeten? U bent vakman: is het dat wat psychotherapie doet?”

“Jammer genoeg wel. Niet door erover te zwijgen, maar door de zweer uit je hoofd te halen, ze te benoemen en ze daarna te vergeten. Een plaats te geven, zoals men zegt.”

 

“Uw personages zijn wel steeds zeer ad rem. Het valt me bovendien op dat je in hun taalgebruik veel moderne woorden smokkelt: Djiezes, all straight chicken, creep, enz.”

“Ja, maar dat is het taalgebruik van jongeren in dat boek. Het zijn trouwens alleen Charly en Allison en hun vrienden die zo spreken. De politie-inspecteurs spreken in een heel andere toonaard. In Slaapwel gebruikt het personage ook zijn eigen taal, meer gezwollen, hoofser, ouderwetser. Die heeft nog nooit gehoord van Djiezes.”

 

“Is die truc met de verwisseling van smartphones niet al te veel gebruikt? Rekende u er echt op dat de lezer wordt verrast?”

“Misschien wel, maar dat is niet belangrijk. Dit boek is geen whodunit, want er zijn maar twee potentiële daders. Het is een whydunit. Die smartphones vormen geen cruciaal detail om de meisjes te begrijpen.”

 

BUREN

“In het begin van het verhaal Buren ziet Tomas een spook uit zijn verleden. Dat gebeurt wanneer hij op de Thalys zit, in Brussel-Zuid voor het vertrek naar Parijs. Hij loopt uit de trein en wordt prompt achtervolgd en gearresteerd door de security. Bestaat daar grote kans op?”

“Nu wel!”

“Ja, met dat dreigingsniveau in Brussel. Maar normaal?”

“Iemand die zomaar, op het laatste moment van een trein springt, een Thalys? Dat zal toch voor moeilijkheden zorgen. Een achtervolging en arrestatie zoals ik beschrijf is misschien wat van het goede teveel, maar onopgemerkt zal het niet blijven.”

 

“Tomas is zo’n man, die zijn succes en rijkdom dankt aan zijn huwelijk met de dochter van de baas. Het kan natuurlijk ook andersom, maar is dat een gezonde basis voor een relatie?”

“Wie het schoentje past, trekke het aan. Dit is de realiteit van het leven. Er bestaan toch diverse relaties op die manier? Zijn ze gelukkig? Moeten ze dat zelf niet beoordelen? Ik wil niet met het vingertje wijzen. Vooral doen, als je daar wil voor gaan.”

 

“Je personages, zoals Tomas, belanden vaak door eigen toedoen, in een ware hel. Eigenlijk beschrijf je heel goed hoe een waangedachte, die later weliswaar een crimineel feit wordt, iemand psychisch te gronde kan richten. Is dat de rode draad uit al uw boeken?”

“Dat is de nagel op de kop. Ik bestudeer ...”

“... zegt de psycholoog...?”

(glimlacht) “.... Hoe iemand wordt neergeslagen, opstaat en weer doorgaat. Het leven, quoi.”

 

“Ik lees ergens dat jij vindt dat noodlot een onverbrekelijk deel uitmaakt van een leven. Dat we er constant tegen vechten al was het maar om het te kunnen negeren?”

“Ken je het verhaal van de twee wegen? Iemand kiest die weg waarvan hij verwacht dat het noodlot hem niet zal treffen. Om te ondervinden dat het noodlot hem toch zal vinden als het dat zelf wil. We zijn allemaal geprogrammeerd om nare dingen te vermijden.”

 

“Dat idee van chicken on a can, vanwaar heb je dat? Hoe is het recept ook alweer? En dat werkt gegarandeerd?”

“Moet een trucje zijn van bij de cowboys. Het lukt alleen als je een bierblik hebt, waar nog zo iets van uit steekt.” (Toont met twee vingers een spatie van ongeveer tien centimeter, een 50 cl, dus voor de kenners). “Je schuift de kip er omgekeerd op, dus de nek over het bierblik, dat je opent. Na een tijdje begint dat bier te stomen en bevochtigt de kip van binnenuit. Het werk het best op een barbecue die je kunt sluiten met een kap.“

 

“Tomas vernielt bij een autoachtervolging een houten paaltje en een plastieken doos van de elektriciteit. De politie komt hem beschuldigen van vluchtmisdrijf en wil een alcoholcontrole. Later wordt zijn rijbewijs voor veertien dagen ingetrokken. Dat is toch ook niet alledaags?”

“Neen, maar dat is totaal autobiografisch. Dat paaltje en die plastieken doos stonden in mijn straat, waar ik tegen reed, waarschijnlijk niet helemaal nuchter. Maar ik oordeelde dat die elektriciteitskast niet naar het ziekenhuis moest en ben naar huis gereden. Natuurlijk was daar een buurman getuige van die de politie naar mij thuis stuurde voor een alcoholcontrole. De dag erna stonden ze er terug om mijn rijbewijs te convoceren, vanwege vernieling van stadsmeubilair. 

 

SLAAPWEL

“In Slaapwel gaat het om een oude man, Adam, die volop wil genieten van zijn laatste levensjaren. Dat wil zeggen dat hij als krasse ouderling naar de vrouwtjes lonkt, en zijn geld op doet aan dagelijks dinertjes.”

“Ik zal je wat vertellen: Slaapwel gaat over mijn vader. Adam is mijn vader. Zijn manieren, zijn woordenschat, zijn leven. Wat ik daar vooral wil naar voor brengen is het kleine drama van sommige families. Er gebeurt een ernstig feit, iemand onderneemt een actie, en de anderen zitten met de gebakken peren. Dan heb je zo van die discussies onder de anderen van: hoe hebben we dit niet zien aankomen?” Hoe zijn we zo bedot?”

 

“Slaapwel blijkt het eerste deel van een langer verhaal. Daarom moeten er nog een paar mysteries worden opgelost. Bijvoorbeeld waarom Adam het met twee vrouwen gelijk aan legt? Waarom er personages in voorkomen die vooralsnog geen betekenis hebben.”

“Helemaal juist. Ik heb met dit boek een bewust risico genomen dat geen enkele Vlaamse misdaadauteur me tot nog toe heeft voorgedaan. Ik heb een verhaal in twee delen geschreven, dat ...”

 

“Sorry dat ik onderbreek, maar ik vond dat dit geleidelijk aan een rem zette op het lezen. Tegen het einde was ik voortdurend aan het denken dat er te veel losse draadjes waren, die je in het aantal resterende bladzijden nooit meer kon uitleggen. Dat creëerde een soort wrevel. Was er geen manier om aan te geven dat dit een eerste deel was?”

“Neen, dat kon natuurlijk niet, Raymond. Het is precies die nieuwsgierigheid en ergernis die de lezer naar het volgende boek moet drijven. Dat komt er gauw aan, in mei ligt het in de handel.”

“Dat betekent dat je die twee boeken zo goed als tegelijk moest schrijven?”

“Ik moest van begin af aan weten wat ik wilde achter houden, suggereren, waar de verrassingen zullen komen, dat is juist. Maar dat is nu net de pret met organiseren en experimenteren. Wacht maar.”

 

“Deauville en Trouville aan de Atlantische kust, en ook een beetje Nice aan de Azurenkust zijn de geprefereerde badsteden van mijnheer Adam. U lijkt het daar wat te kennen?”

“Deauville kende ik wel, ik ben het daar verder gaan uitzoeken natuurlijk.”

 

“In de winter, veronderstel ik, vandaar de irritatie dat de meeste restaurants gesloten zijn, en Deauville bijna niets overhoudt van haar zomerse grandeur.”

“Precies. Maar dat bleek achteraf geen nadeel. Zo kon ik beter door die opsmuk kijken van de vergane grandeur, het theatrale van de bourgeoisie. Het enige wat Adam nog doet is wat hij fysiek aan kan: lekker eten. Meer bepaald van de klassieke Franse keuken. “

 

“Hoewel de twee zonen van Adam tamelijk begripvol lijken tegenover hun vader, blijken slechts kleine misverstanden aan de basis te liggen voor familievetes. Uit het leven gegrepen?”

“Ja. Maar dat is niet moeilijk. Dat zal iedereen herkennen.”

 

 

STIJL & OPVATTINGEN

 

 

 

“Een bruidspaar weet natuurlijk of het op hun trouwdag regende of niet, maar jij zoekt dat blijkbaar ook op als het moet in je boek? ”

“Als beginnende schrijver ben je daar misschien wat fanatieker in dan later, maar ik vind wel dat je verhaal geloofwaardig .... Kijk, je schrijft fictie. Je vraagt je lezer mee te gaan in je eigen fantasie. Dan moet je de lezer toch wat houvast aanreiken. Een van die elementen is het checken van gewone dingen die hij tegenwoordig ook met enkele klikken kan nakijken. Als schrijver moet je ervoor zorgen dat iedere lezer op zijn terrein aan bod kan komen: van bakker tot piloot. Als ik op een foute manier beschrijf hoe mijn personage een brood bakt, dan leest die bakker niet verder. Als het weer een rol speelt in mijn verhaal en ik vermeld dat op een precieze dag in Genève de fontein honderd meter hoog spoot, dan zal je het maar voor hebben dat een lezer net die dag daar op vakantie was en pertinent goed weet dat die fontein nooit heeft gespoten. Ik heb daar dus een half uur aan de telefoon gehangen om daar zeker van te zijn. Ik vind dat niet overdreven. Ik vind dat normaal.”

 

“Patrick De Bruyn heeft een goed boek geschreven. Ik heb het in één ruk uitgelezen. U gruwt van zo’n melding. Waarom? “

“Je zult maar een jaar aan een boek schrijven, om te horen dat iemand dat in twee dagen heeft uitgelezen. Thrillerlezers doen dat meestal. Zij willen het einde halen, willen gruwelijk verrast worden door een plotwending die ze niet zagen aan komen. Dan is het klaar voor hen. Op naar het volgende boek. Vele thrillerlezers vergeten te genieten. Als er één verschil bestaat tussen thrillers en échte literatuur, als die dus bestaat, dan is het wel dat de lezers van literatuur genieten van de toon, de stem, de ziel van een boek. Ongeveer hetzelfde verschil als tussen reizen en vakantie. Niet de bestemming is het doel, maar de reis. Ik haal meer voldoening uit iemand die zegt dat hij een boek van mij heeft hér-lezen. Die zal op nuances letten, die zal wéten waarom iets rood rood moest zijn, en niet blauw. “

 

“Ik vind dat van al je boeken een eenakter zou kunnen worden gespeeld, moest het naar het theater worden getransformeerd. Is het psychologische karakter van een roman recht evenredig met het beperkte aantal personages?”

“Ik beperk me inderdaad tot de personages die er toe doen. Dat is mijn interpretatie van de klare lijn, je weet wel, de doctrine van Hergé. Zeg wat er toe doet en geen half woord meer. “

 

“Waarom is het voor een Vlaamse auteur zo moeilijk om in Nederland door te breken? Geldt dat ook andersom?“

“Ik heb een goede redacteur bij Manteau. Mijn wens, die zij respecteert, is dat een Nederlander elk woord uit mijn boek moet begrijpen, behalve in de dialogen. Ik vind dat je iemands stem niet mag afpakken. John Grisham laat bijvoorbeeld duidelijk horen hoe een personage spreekt vanuit het Zuiden van Amerika. Tenminste toch in de Engelstalige boeken, want ik kan dat niet beoordelen vanuit de vertaling. Maar om op je vraag terug te komen, ik weet ook niet wat er aan de hand is. Nederlanders vinden Vlaamse auteurs vaak sappig, maar beseffen zelf niet dat dit komt door hun eigen taalarmoede. Zij hanteren een standaardtaal van enkele duizenden woorden, waarmee ze elke levenssituatie te lijf gaan. Dat komt van uit hun Calvinistische achtergrond, vermoed ik.”

 

“Ik verwoord ongeveer dezelfde gedachte in mijn column, die elders bij Hebban verschijnt. Het heeft een historische oorzaak.”

“Precies. Vlaamse auteurs weten dat ze er niet in komen, in Nederland, of toch niet zonder een literaire knieval. Maar ik ken er weinig die daar om malen, tenzij om hogere oplages te halen. We hebben nu eenmaal twee verschillende culturen, behalve dat het woord cultuur in Vlaanderen stilaan een vloek in het donker wordt.”

 

“Patrick, je hebt nu tien, elf thrillers geschreven. Je hebt talloze nominaties en prijzen gewonnen. Waarom word jij niet in een adem genoemd met Aspe en Deflo? “

(Deze vraag verrast hem. Hij doet aan lange introspectie.)

En toch bestaat er een eenvoudig antwoord. We zijn met drie ongeveer gelijktijdig gedebuteerd. Maar zij hebben respectievelijk 40 en 30 titels geschreven, beduidend meer dan mijn 10. Dat maakt een mooi rijtje in de bib of in de winkel. Daar kan ik niet tegenop. Bovendien houden lezers van terugkerende personages.

Ik heb steeds nieuwe personages en daar kruipt tijd in. Ik ben niet bereid twee tot drie boeken per jaar te schrijven. Ik ben niet zo voor Reaganomics. Een auteur zorgt voor kwaliteit in zijn manuscript. Het boek ook aan de man brengen, is een taak voor de verkoop- en marketingafdeling van mijn uitgeverij.